Vrouwen in de schaduw van de filosofie VU-studenten eisen meer diversiteit

Na de feministische golf in de jaren ‘70 en ‘80 werd de canon van primaire teksten en denkers binnen veel academische vakgebieden aangepast, maar de conservatieve wijsbegeerte is op dat gebied grotendeels hetzelfde gebleven. Volgens studenten wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit is het genoeg. Ze begonnen een petitie om meer aandacht te vragen voor vrouwelijke filosofen en feministische filosofie.

Door Sarah Bloem

Meer dan duizend studenten aan de KU Leuven ondertekenden vorig jaar een petitie om het vak Feministische Filosofie op te laten nemen in het curriculum van de studie wijsbegeerte. Het doorzettingsvermogen van deze studenten werd beloond: vanaf dit studiejaar zal het vak gedoceerd worden aan de universiteit. Dit inspireerde VU-studenten Roos van Unen en Marieke Berkers om zelf ook aan de slag te gaan. In eerste instantie wilden ze een nieuwe leesgroep opzetten, maar deze oproep kreeg zoveel belangstelling – alleen al 100 aanmeldingen voor de eerste bijeenkomst – dat ze het initiatief namen tot een petitie. In deze petitie werden drie eisen gesteld: tenminste één vrouwelijke filosoof per vak, een apart vak Feminist Theory en een interdisciplinaire minor Gender and Diversity Studies. Op 21 januari 2016 werd het symposium Diversifying Philosophy georganiseerd om de petitie te presenteren aan het bestuur. Enkele VU-docenten, waaronder prof. dr. W. Goris, H. Ghorashi en M. van Hees, gaven hele interessante lezingen over het onderwerp. De vraag van de dag: wat kan het opnemen van vrouwelijke filosofen en feministische filosofie bijdragen aan de studie wijsbegeerte? Met notitieboekje en pen in de aanslag reisde ik af naar Amsterdam om dat uit te zoeken.

Een duik in de geschiedenis

Door de eeuwen heen waren er talloze vrouwen die zich bezighielden met filosofie. Desondanks worden er vrijwel geen vrouwelijke filosofen opgenomen in filosofievakken. Roos van Unen, een van de studenten die de petitie opzette, constateerde dat er bij de historische vakken die zij heeft gevolgd welgeteld één vrouwelijke filosoof werd behandeld, namelijk Hannah Arendt bij het vak Hedendaagse Filosofie. Schrikbarend weinig, en binnen de studie wijsbegeerte aan de Rijksuniversiteit Groningen komen er zelfs nog minder vrouwelijke filosofen aan bod. In het eerste jaar is Arendt wel degelijk behandeld bij Sociale en Politieke Filosofie, maar er passeerden bij Geschiedenis van de Filosofie enkel mannelijke denkers de revue. Toch is het idee dat er alleen mannelijke filosofen waren een illusie; genoeg vrouwen hielden zich bezig met filosofische kwesties. Als de bijdragen van deze vrouwen relevant zijn, hoe komt het dan dat ze niet opgenomen zijn in de canon van de filosofie?

Vrouwelijke filosofen werden meestal buiten officiële onderwijsinstituten om geschoold, bijvoorbeeld doordat ze leerden lezen en schrijven van een vader, broer of gouvernante. Doordat vrouwen in de regel geweerd werden bij officiële onderzoeksinstellingen, en niet academisch konden publiceren, moesten ze wel creatieve manieren bedenken om hun filosofie te delen. Sommige vrouwelijke filosofen deden dit door brieven te schrijven aan de intellectuele elite van hun tijd. Net zoals prinses Elisabeth van Bohemen¹ (1618-1680) die met Descartes correspondeerde en hem van stevige kritiek voorzag – zij het in een erg slijmerig jasje. Anderen zetten net als Émilie du Châtelet (1706-1749) een salon op, waar ze met haar intellectuele gasten over filosofie, wiskunde en natuurkunde discussieerde. Zo zijn er nog veel meer filosofes die hun gedachten op vergelijkbare creatieve manieren wisten te verspreiden.

Daarnaast zijn er veel filosofes die hun ideeën vooral verwerkten in romans, wat er ook aan bijgedragen heeft dat ze niet opgenomen zijn in de canon van de geschiedenis van de filosofie. Dit is een vorm van filosofiebeoefening die doorgaans minder snel erkend wordt als zodanig. Ook juist deze vrouwelijke filosofen zijn historisch gezien heel interessant. Vaak hadden ze een feministische thematiek, maar bovenal zijn ze boeiend omdat ze praktischer ingesteld waren. Ze schreven over dingen die dichter bij hun eigen leven stonden; waar ze in het dagelijkse leven mee te maken hadden. In tegenstelling tot de academische filosofen, die daar juist steeds meer los van kwamen te staan. Het bestuderen van de werken van deze filosofes is dus niet alleen inhoudelijk relevant, maar biedt ook een goede kijk in de tijd waarin ze leefden. Met name voor historici is dat van belang.

Tegelijkertijd waren er ook genoeg vrouwelijke filosofen die qua onderwerpen en methodes wel perfect in de gebruikelijke vakken passen. Châtelet was bijvoorbeeld heel erg geïnteresseerd in natuurfilosofie. In 1740 publiceerde zij haar verhandeling Institutions de physique (Lessen in de natuurkunde). Het boek werd door heel Europa bediscussieerd, en hele passages van haar werk zijn anoniem overgenomen in Diderot en D’Alembert’s Encyclopédie. Ook vertaalde en becommentarieerde ze Newton’s Prinicipia Mathematica, dat nog steeds als standaard vertaling geldt in het Frans. Hoewel zij later vooral nog herinnerd werd als de minnares van Voltaire, hebben hele generaties aan wetenschappers en filosofen onbewust haar werk bestudeerd. Met haar zijn er nog veel andere filosofes die wel degelijk invloed uitgeoefend hebben op de denkers uit hun tijd, maar die vergeten zijn omwille de maatschappelijke consequenties van hun geslacht. Na Châtelet’s dood in 1749 schreef Voltaire aan prins Frederik van Pruisen: “Ik heb iemand verloren die al vijfentwintig jaar mijn vriend was, een groot man wiens enige gebrek daarin bestond dat hij een vrouw was.”

Dé filosofische methode?

Het lijkt er dus op dat het uitsluiten van vrouwelijke filosofen niet simpelweg het gevolg is van gebrek aan relevantie – wat gezien de onderwerpen en historische inzichten zeker niet het geval is – maar met name te maken heeft met maatschappelijke aspecten. Door gebrek aan onderwijsmogelijkheden werden hun bijdragen minder snel erkend of juist sneller vergeten.

Volgens Samir Chopra, hoogleraar wijsbegeerte aan Brooklyn College (CUNY),  kan het uitsluiten van vrouwen ook komen door de manier waarop wij filosofie opvatten. Aan het hart van de filosofische praktijk ligt een zekere filosofische methode besloten: het construeren van argumenten die mogelijk opbouwen tot een ‘systeem’ en het grondig doorzoeken van deze argumenten op zwakheden. Wanneer twee filosofen samenkomen gaat het volgens deze adversarial conception of philosophical activity om een intellectueel conflict waarbij de één de verdediging van de ander probeert te ondermijnen. Maar misschien zouden filosofen ook op andere manieren te werk kunnen gaan, bijvoorbeeld door observaties en inzichten te leveren die ons op een andere manier naar de wereld laten kijken, door te laten zien hoe het ene zich verhoudt tot het andere, of door niet destructief maar constructief te werk te gaan; door te laten zien hoe iets tot stand gekomen is zodat we het beter kunnen begrijpen.

Chopra meent dat het opnemen van vrouwelijke filosofen – die wellicht sneller geneigd zijn om op deze manier te werk te gaan – daarom mogelijk ook inhoudt dat we ons begrip van wat filosofie is en hoe het beoefend moet worden moeten bijstellen. Hij stelt: “The reasons for the exclusion of women from philosophy would not just be the denial of educational opportunity or participation in philosophical institutions, but also a straightforward failure to recognize their intellectual contributions as being philosophy in the first place.” Doordat we andere manieren van werken binnen de filosofie niet zo snel erkennen, is het mogelijk dat we vrouwelijke denkers uitsluiten, terwijl de werkwijzen van deze denkers wel degelijk een bijdrage kunnen leveren aan de filosofie.

Op zoek naar een nieuw verhaal

Natuurlijk kan niet alles opgenomen worden in de canon van de geschiedenis van de filosofie. Zoals Eddo Evink in zijn colleges weleens heeft gezegd: geschiedenis is het vertellen van een verhaal.” De geschiedenis van de filosofie is geen losse verzameling van verschillende posities; het gaat altijd om een zekere rode lijn in de tijd. Het uitsluiten van opvattingen die niet in die lijn passen lijkt een noodzakelijk gevolg van geschiedenisbeoefening.

In de eerste lezing van het symposium sprak prof. dr. W. Goris ook over de machtsstructuren die van invloed zijn op canonvorming. Iedere discipline sluit door haar natuur noodzakelijk bepaalde denkers uit. We moeten echter niet vergeten om kritisch te blijven en ons eigen canon telkens aan onderzoek te onderwerpen. Anders gaat het slechts om het reproduceren van datgene wat we al kennen, stelt prof. dr. H. Ghorashi, die de tweede lezing gaf. Mogelijk betekent dit dat we de grenzen van ons canon en van wat we als filosofie beschouwen moeten veranderen. Kortom, dat we een ander verhaal vertellen. Maar dat is juist de manier waarop we ons volgens Ghorashi kunnen verrijken. We hebben zowel datgene nodig wat we al kennen, als datgene wat heel erg van ons verschilt. Door altijd maar in de comfort zone te blijven, zullen we nooit tot volledig begrip komen. Hoe kan het, vraagt ze zich af, dat de meest kritische denkers zo vastgeroest zitten in reproductie?

Tijdens de jaren ‘70 en ‘80 werd de canon binnen vele academische vakgebieden aangevochten. Met name in de Verenigde Staten daagden mensenrechtenbewegingen en tweede generatie feministen instituties uit om hun manier van lesgeven en onderzoeken te veranderen. Volgens Andrew Janiak en Christia Mercer, hoogleraren wijsbegeerte aan de Universiteit van Duke, werd de historische contingentie van de eigen onderwerpen en primaire teksten bij veel andere humanistische en sociale wetenschappen erkend, terwijl de wijsbegeerte in dat opzicht grotendeels hetzelfde is gebleven. Hoewel andere wetenschappers profiteerden van de veranderingen, bleven academische filosofen vastzitten in hun oude opvattingen over de geschiedenis van de filosofie en haar centrale problemen. En zo geloven we nog steeds in de mythe van de blanke man die op zoek gaat naar de waarheid. Andere filosofen kunnen er immers niet zijn. Dat wil zeggen, als we het gemiddelde curriculum wijsbegeerte moeten geloven. Sinds die tijd is er namelijk wel degelijk veel meer onderzoek gedaan naar ‘andere’ filosofen. Hoog tijd dat dit ook zijn weergave heeft op het onderwijs van hedendaagse filosofiestudenten. We moeten een lijn trekken die vrouwelijke filosofen wél meerekent.

De noodzaak van kritische zelfreflectie

Het ontbreken van vrouwelijke filosofen in de geschiedenis van de filosofie is een van de kritiekpunten vanuit de feministische filosofie. Dat brengt me op de tweede eis uit de petitie: de toevoeging van een vak Feministische Filosofie. In de petitie staat: “Various approaches are possible (…) in general it seeks to enrich the historical study of philosophy by identifying gender issues by unravelling the dominant discourse and certain ideologies that shape the ideas about mankind/femininity at specific historical moments.” Aangezien er aan onze faculteit ook geen vak meer over gegeven wordt, zal het niet voor iedereen gelijk duidelijk zijn waar het precies over gaat. Daarom nu eerst: wat is feministische filosofie eigenlijk?

Feministische filosofie ontstond in het begin van de jaren ‘70 als aparte stroming, maar is inmiddels uitgegroeid tot een belangrijk deelgebied van de filosofie. In eerste instantie lag de focus met name op de analyse van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, maar tegenwoordig gaat het om ongelijkheid en uitsluiting in een veel bredere context. Hierbij kan je onder andere denken aan de relatie met onderwerpen als postkolonialisme, milieustudies en politieke theorie. Daarnaast is het verbreed naar alle deelgebieden van de filosofie: ethiek, metafyisca, wetenschapsfilosofie, taalfilosofie en de geschiedenis van de filosofie.

In haar lezing op het symposium stelt dr. A. Halsema dat feministische filosofie gekarakteriseerd wordt door een bepaalde manier van met filosofie bezig zijn. Dit is niet een specifieke methode – feministische filosofen kunnen zowel empirisch, conceptueel, analytisch als continentaal zijn – maar eerder een bepaalde houding die feministische filosofen aannemen. Het is gesitueerd vanuit het idee dat vrouwen achtergesteld zijn in de samenleving, al zijn er heel veel verschillende posities over de precieze invulling hiervan. Het is in zekere zin dus ook een politieke stroming: feministische filosofen proberen deze ongelijkheid te tonen, te begrijpen en uiteindelijk ook te overwinnen.

Volgens Alison Stone (universitair hoofddocent wijsbegeerte aan de Universiteit van Lancaster) kun je drie hoofdaspecten van feministische filosofie onderscheiden. Het eerste belangrijke aspect is de feministische geschiedenis van de filosofie, die onder andere bestudeert hoe vooroordelen over mannen en vrouwen zich manifesteren in filosofische theorieën. Het is geen geheim dat veel filosofen uit de canon er vrouwonvriendelijke opvattingen op na hielden. Zo schreef Kant dat “the scholarly woman … uses her books in the same way as her watch … so that people will see that she has one, though it is usually not running.” Feministische filosofen onderzoeken deze seksistische opvattingen vanuit het idee dat ze zich door de hele filosofische theorie kunnen manifesteren. Dat wordt ook wel aangeduid met male of masculinist bias. Dit is een (on)bewust vooroordeel die van grote invloed kan zijn op de manier waarop iemand over allerlei dingen nadenkt. In dit geval gaat het om het idee dat mannen superieur zijn aan vrouwen, en daarmee dingen die met mannelijkheid geassocieerd worden (zoals de rede) ook superieur zijn aan dingen die met vrouwelijkheid geassocieerd worden (zoals emotie).²

Hoewel bijvoorbeeld Kant’s opvatting over morele autonomie in het eerste opzicht misschien niet direct lijkt te volgen uit zijn beeld over mannen en vrouwen, kan het toch samenhangen met het seksistische idee dat het mannelijke superieur is aan het vrouwelijke. In dat geval is het nog maar de vraag in hoeverre het wel een correcte analyse van morele autonomie kan zijn, of dat het gewijzigd moet worden. Dergelijke problemen worden binnen feministische filosofie aan de kaak gesteld. Zonder feministische filosofie als volwaardige discipline ontloopt de filosofie volgens sommige aanwezigen daarom haar zelfkritisch vermogen. Het blijft echter niet hangen bij kritiek: feministische filosofen proberen ook theorieën op te stellen die niet onderhevig zijn aan deze vooroordelen, en elementen in traditionele teksten te vinden die de masculinist bias wél uitdagen, en waar verder op gebouwd kan worden.

Een ander belangrijk aspect is dat feministische filosofen gebruik maken van filosofische concepten en theorieën om bepaalde politieke en feministische claims te onderzoeken. Met behulp van filosofische argumenten wordt afgewogen welke posities op het gebied van bijvoorbeeld abortus en positieve discriminaties het beste te verdedigen zijn, zoals behandeld is bij Ethiek 2: Actuele vragen.

Het laatste aspect is dat feministische filosofen een heel scala aan nieuwe concepten geïntroduceerd hebben. Juist dit kenmerk zou heel interessant kunnen zijn voor een vak Feminist Theory, omdat ze – als nieuwe onderwerpen – al gauw buiten de grenzen van bestaande vakken vallen. Te denken valt aan het onderscheid tussen sekse en gender, (homo)seksualiteit, essentialisme en geboorte. Deze vraagstukken zijn natuurlijk ook relevant voor allerlei andere deelgebieden van de filosofie. Zo is essentialisme – de vraag of er iets is dat alle mannen of vrouwen gemeen hebben – ook onderdeel van de metafysische vraag wat specifieke dingen tot een bepaalde soort maakt. En kunnen we wel iets zinnigs zeggen over ‘het zelf’ als daarin aspecten als sekse en gender niet meegerekend worden? Kortom, feministische filosofie is waardevol als kritiek op de filosofie en als filosofie zelf. Het is geen one issue stroming; feministische filosofie is even breed als andere stromingen in de filosofie. Dat alles maakt het niet slechts een interesse, maar een essentieel onderdeel van de studie wijsbegeerte.

Naast inhoudelijke redenen om meer aandacht te besteden aan vrouwelijke filosofen en feministische filosofie worden er ook praktische redenen aangedragen om het curriculum aan te passen. Het zou namelijk ook een positieve werking kunnen hebben op het gebrek aan vrouwen in de academische filosofie. Er zijn zeer weinig vrouwelijke hoogleraren en met name in de fase tussen de propedeuse en de master vallen er veel vrouwelijke studenten uit. Het wegblijven van vrouwen in de filosofie wordt onder andere verklaard aan de hand van concepten als implicit bias en stereotype threat.³ Aan de ene kant heeft dit ermee te maken dat er onder mannen en vrouwen nog steeds bepaalde vooroordelen spelen (zoals dat vrouwen minder rationeel zijn) en dit bijvoorbeeld invloed zou kunnen hebben op de selectie van studentassistenten en docenten. Aan de andere kant kunnen deze denkbeelden ook tot een self-fulfilling prophecy leiden. Dit alles gebeurt meestal onbewust, en kan niet altijd aangetoond worden, maar lijkt wel degelijk nog steeds van grote invloed te zijn op de wetenschap.⁴ Het opnemen van vrouwelijke denkers en feministische filosofie keert deze vooroordelen als het ware om: het beschouwt de vrouw niet als minderwaardig, maar geeft juist het beeld af dat het denken van vrouwen er ook toe doet.

De laatste eis van de petitie was het opnemen van een minor Gender and Diversity Studies. Binnen allerlei disciplines is er een groeiend bewustzijn dat er meer aandacht besteed moet worden aan de relatie van het vakgebied met gender en diversiteit. Het analyseren van concepten als gender, ras, klasse, seksualiteit en leeftijd zijn bijvoorbeeld van groot belang voor de manier waarop (sociale) identiteiten zich vormen. Het onderzoeken van deze concepten zou volgens de VU-studenten daarom binnen alle studies mogelijk moeten zijn.

Praktische invullingen

Deze laatste eis is eigenlijk de enige waarover men het direct eens wordt. “Die minor komt er wel,” dacht het afdelingshoofd. Over de eerste twee eisen bestaat meer onenigheid. Met name ‘tenminste één vrouwelijke filosoof per vak’ vormde de spil van de levendige discussies die na de lezingen volgden. Het publiek ging in debat met prof. dr. M. van Hees, het afdelingshoofd van de faculteit aan de VU en tevens onze voormalige decaan, en de opleidingsdirecteur prof. dr. R. Munk. Volgens Munk zijn de gemeenschappelijke waarden er wel – zij vinden ook dat er aandacht geschonken moet worden aan vrouwelijke filosofen en feministische filosofie – maar hij zegt dat de vraag blijft hoe we deze zorgen een concrete invulling moeten geven. Of zoals het in volkswijsheid ook weleens wordt uitgedrukt: in theorie zijn praktijk en theorie hetzelfde; in de praktijk zijn ze dat niet.

In eerste instantie werd bijvoorbeeld gesuggereerd dat er een vak Vrouwelijke Denkers moest komen, maar dan zou het juist lijken alsof vrouwelijk denken anders is; niet tot de ‘normale’ filosofie behoort waar mannen de norm zijn. Een integraal vak met vrouwelijke denkers lost het probleem dus niet op. Daarnaast doet het afbreuk aan de historische relevantie van de filosofes. Ze zijn niet alleen inhoudelijk interessant, maar ook juist in relatie tot andere denkers in hun tijd. Als je ze buiten deze historische context plaatst, gaat een groot deel van de waarde en het begrip van hun theorieën dus verloren.

Toch meent Martin van Hees dat een quotum niet de juiste manier is om de gedeelde idealen te bereiken. Bij systematische vakken gaat het bijvoorbeeld vooral om ideeën en niet om denkers. ‘Koppen tellen’, zoals hij dat noemt, zal dus niet helpen. Daarnaast komen er onder andere bij ethiek wel degelijk vrouwelijke filosofen en feministische theorieën aan bod. “Wat kunnen we dan wel doen?” is een vraag die regelmatig aan van Hees wordt gesteld. Een direct antwoord op deze vraag blijkt moeilijk te geven, maar hij suggereert dat dit vooral in samenspraak met de opleidingscommissie moet gebeuren. Het beleidsplan zou gebruikt kunnen worden om docenten te stimuleren meer open te staan voor diversiteit binnen de vakken.

Een groot bezwaar vanuit de zaal – en dat is iets wat ik me zelf ook wel voor kan stellen – is dat het dan wel heel moeilijk blijft om te controleren in hoeverre er ook echt iets gedaan wordt met de wensen van de studenten. Het is natuurlijk een stap in de goede richting, maar dit is niet de eerste keer dat er onder VU-studenten de roep ontstond om meer diversiteit aan te brengen in het onderwijs, en toch verandert er niet zoveel. De quotum van tenminste één vrouwelijke filosoof per vak is dan ook vooral een stok achter de deur om ervoor te zorgen dat er dit keer toch echt iets teweeg wordt gebracht.

Vrouwelijke filosofen en feministische filosofie zijn een waardevolle toevoeging aan de bachelor van iedere filosofiestudent. Volgens sommigen is het zelfs een noodzakelijke toevoeging – filosofie zonder kritische zelfreflectie is ondenkbaar. Het wordt dus tijd dat we vrouwelijke filosofen uit de schaduw halen en in het licht brengen. Aan onze faculteit wordt er gelukkig al wel enkele aandacht aan besteed, bijvoorbeeld bij Ethiek en enkele vakken later in de studie, maar ook hier is er zeker nog veel ruimte voor verbetering. Ruim 2500 jaar geschiedenis van de filosofie zonder dat er ook maar één vrouwelijke filosoof echt behandeld wordt kan niet de bedoeling zijn. Dat de studenten van de VU dit willen veranderen door middel van een quotum is dan ook vooral een goede strategische stap, om ervoor te zorgen dat er ook echt meer vrouwelijke filosofen toegevoegd worden aan het curriculum. Het faculteitsbestuur van de VU heeft tijdens het symposium geen concrete beloftes gedaan om dit te bewerkstelligen, maar wel de wens uitgesproken om in overleg met de studenten en de onderwijscommissie ermee aan de slag te gaan. Al met al was het een geslaagd symposium. Het is goed om te zien dat student en docent samen nadenken over de juiste invulling van het onderwijs. Met een gerust hart doch kritische blik keer ik terug naar Groningen. De precieze uitwerkingen zullen nog moeten blijken, maar die zal ik vol nieuwsgierigheid blijven volgen.

UPDATE: Dit artikel verscheen in editie 12(2) en is dus al eventjes geleden geschreven. De minor wordt inmiddels voorbereid!

Voetnoten 

1. Zij is gelukkig wel kort aan bod gekomen bij het tweedejaarsvak Opkomst en Ondergang van het Aristotelisme.
2. Belangrijk om hierbij op te merken is dat dit zowel om vooroordelen van mannen als vrouwen kan gaan. Een male bias is dus niet male omdat het vooroordeel afkomstig zou zijn van mannen, eerder omdat het mannelijke voorop wordt gesteld.
3. Saul, J. (2013) Implicit Bias, Stereotype Threat and Women in Philosophy, in Jenkins, F. en Hutchison (Red). Women in Philosophy: What Needs to Change. Oxford University Press. Verkregen op 6 februari van http://www.ucdenver.edu/academics/colleges/CLAS/Departments/philosophy/inclusion-climate/Documents/Implicit%20Bias,%20Stereotype%20Threat%20and%20Women%20in%20Philosophy.pdf
4. Voor voorbeelden van wetenschappelijk onderzoek op dit gebied, zie http://athenasangels.nl/athena-s-wisdom
5. Aan de Universiteit van Duke is een project gestart om kennis over vrouwelijke filosofen te verspreiden, ook onder docenten die daar geïnteresseerd in zijn. Zie: http://projectvox.library.duke.edu/pg/

Literatuur

Ceton, C. (2012) Vrouwelijke filosofen: een historisch overzicht. Amsterdam: Atlas.
Stone, A. (2007) An Introduction to Feminist Philosophy. Cambridge: Polity Press.

Meer weten? Aan de faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap aan de RUG wordt van 21 tot 23 maart 2016 een conferentie georganiseerd, over vrouwelijke filosofen in de vroegmoderne tijd.

Facebooktwittertumblrmail

Sarah is derdejaarsstudent wijsbegeerte en hoofdredacteur van de Qualia.

Een gedachte over “Vrouwen in de schaduw van de filosofie VU-studenten eisen meer diversiteit

  1. Natuurlijk zijn er ook vrouwen met een goed verstand! De handicap in het verleden was dat alleen de welgestelde families hun vrouwen konden laten studeren. Mijn beide ouders (van 1901 en 1904) hadden alleen lagere school. Daarna moest er gewerkt worden. Maar hun IQ was veel hoger dan gemiddeld! Van hen heb ik een brede kijk op de wereld meegekregen!
    En ze hebben hun kinderen leren nadenken en discussiëren en een eigen mening laten vormen!
    De jongens moesten een vak leren (ambachtsschool) de meisjes mochten naar de hbs!
    Mijn ouders waren elkaars gelijke! Bij verkiezingen stemden ze ieder op hun eigen partij. Zo hingen er altijd 2 verschillende partijbiljetten bij ons voor het raam want ze kwamen voor hun mening uit!
    Tijdens de Koude Oorlog schreef mijn moeder alle wereldleiders alsmede de Paus aan om een eind aan alle geweld te maken. Haar strijdkreet was: “Wie God wil eren moet de wapens weren!” Van velen kreeg zij antwoord.
    Zij had voor een ieder een luisterend oor en zocht indien nodig samen naar een oplossing!

    Zo zullen er nog veel meer wijze mensen zijn die binnen hun eigen kring gebleven zijn maar toch veel hebben betekend!

    Ik vind dat het niet gaat om de sekse van een persoon maar om zijn of haar geest en denkvermogen.
    Met mijn laatste partner kon ik heerlijk filosoferen. Helaas is hij overleden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *