Vermijd simpele tegenstellingen Onderwijsaanbod en onderzoekscultuur aan onze faculteit

Naar aanleiding van de artikelen over cultuurfilosofie in de vorige Qualia en het debat eromheen dat op het moment op de faculteit speelt, schreef Jan-Willem Romeijn een bijdrage voor de Qualia. Is het wel zinvol om te denken in termen van analytische vs continentale filosofie?

Door Jan-Willem Romeijn

In de vorige Qualia schreef Remco van der Meer een betoog voor de terugkeer van continentale filosofie in het curriculum. In de faculteitsraad is dit ook ter sprake geweest, en onlangs schreef oud-hoogleraar René Boomkens nog een stuk voor de Qualia met onversneden kritiek op de faculteit. Tijd voor een reactie, vind ik, en dat doe ik op persoonlijke titel. Ik heb met allerlei betrokkenen gesproken maar ik kan niet wijzen op een gedeelde mening van bijvoorbeeld de vaste staf van de faculteit of de theoretisch filosofen.

Daar begint meteen een moeilijkheid met de discussie die we voeren: niemand kon me precies zeggen wie er allemaal bij betrokken zijn, en hoe de meningen onder studenten en stafleden zijn verdeeld. De media, en dus ook de Qualia, zijn wat dat betreft misleidend. We hoeven maar even naar de landelijke politiek te kijken om te zien dat media-aandacht geen gelijke pas houdt met wat aandacht verdient. Maar goed, dat mag ons niet beletten om de geluiden op te vangen en de kritiek te verwelkomen. Dat past bij ons filosofen.

Zelf vind ik het ook heel problematisch dat we met een kleine groep enthousiastelingen vijfentwintighonderd jaar gedachtegoed levend moeten houden. Het klopt dat allerlei moois onderbelicht blijft of zelfs vergeten wordt. Er is duizelingwekkend Duits idealisme, messcherpe formele epistemologie, diepzinnig neo-Platoons mysticisme, filosofisch zenboedisme, enzovoorts. Er moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt in wat actief wordt onderzocht en onderwezen.

Tegelijk moeten we rekenschap blijven geven van de diversiteit van de filosofie. Ongeveer twee jaar geleden riepen zo’n 30 filosofen het bestuur van de landelijke onderzoeksschool OZSW op om een aparte sectie in het leven te roepen. In die sectie moest een bonte verzameling van onder andere fenomenologisch, wijsgerig anthropologisch, continentaal metafysisch, en cultuurfilosofisch onderzoek worden gebundeld. En ze moest naast de bestaande secties TF, GF, en PF komen te staan. Een terechte oproep, vond ik toen, want juist zo’n onderzoeksschool, met destijds al zo’n 300 leden, moet de wijsbegeerte in de breedte vertegenwoordigen.

Een aparte sectie leek mij anderzijds een slecht idee. Filosofie is veel interessanter wanneer we overgeërfde tegenstellingen proberen te ondergraven. Mooie filosofie vindt juist plaats waar geijkte onderzoeksprogramma’s worden ondervraagd op hun uitgangspunten. Institutionele verbrokkeling en uitsplitsing naar wijsgerige stijlen zitten dat alleen maar in de weg. Met de sectie Theoretische Filosofie van de OZSW hebben we in antwoord op de oproep ingezet op diversificatie, en met succes: de sectie herbergt heden veel meer wijsgerige stijlen dan voorheen. Nergens in de notie van theoretische filosofie zit immers verpakt dat het in een bepaalde, bijvoorbeeld analytische of zelfs formele, stijl moet gebeuren.

Eenzelfde houding past volgens mij in onze faculteit, en in ons onderwijs. In plaats van de methodische scheidingen te benadrukken, zoek ik liever naar de verbanden. Een voorbeeld daarvan is mijn college over wetenschappelijke modellen, waarin ik Michel Foucault en Bas van Fraassen naast elkaar leg, en in beide een neo-Kantiaans thema identificeer. Ik ga dat vak volgend jaar hopelijk weer geven. Er gebeurt op dit moment binnen de ken- en wetenschapsleer van alles om verouderde tegenstellingen, zoals die tussen continentaal en analytisch, en die tussen historisch-sociologisch en systematisch onderzoek, te overbruggen. En die beweging juich ik van harte toe.

Wat betekent dat voor de discussie waarop ik met dit stuk aansluit? Het betekent dat we niet moeten verzanden in weinig behulpzame terminologie, en dat we de discussie concreet en constructief moeten houden. In een vak over sociale epistemologie horen Aumann en Condorcet, die wiskundige benaderingen kozen, naast Habermas en Hegel thuis. In een vak over wetenschapsfilosofie behoren Kitcher en Cartwright te worden vergezeld door Latour. Bij de concrete invulling van vakken is discussie over grenspalen in het wonderlijke territorium van de wijsbegeerte belangrijk en interessant. Die discussie moeten we voeren, in de breedte, en zonder ons blind te staren op specifieke territoriale conflicten.

Veel minder interessant of zelfs bezwaarlijk wordt het wanneer de discussie zich blijft bedienen van containerbegrippen. Niet alleen omdat dat veel geblaat en weinig wol oplevert maar ook omdat het vergissingen in de hand werkt. Zo is weleens een verband gesuggereerd tussen de analytische filosofie en het rendementsdenken van de overheid. Maar dat strookt helemaal niet met de feiten. Nagenoeg alle filosofen verzetten zich tegen de huidige inmenging van de overheid in academisch onderzoek, zoals dat via Topsectorenbeleid, een Nationale Wetenschapsagenda (NWA), en hervormingen van NWO zijn beslag krijgt. Het klopt zeker dat er vanuit de ministeries een economistische wind waait maar in de filosofie, en in de wetenschap als geheel, waait slechts een enkeling mee.

Het wijsgerig verzet is wat saai en voorzichtig, maar wel redelijk effectief. Zo ben ik op dit moment betrokken bij het karakteriseren en verdedigen van een geesteswetenschappelijke publicatiecultuur. Onze decaan Lodi Nauta heeft zich bij de NWA ingezet voor vertegenwoordiging van de kwetsbare geesteswetenschappen. En als commissielid bij NWO hebben velen van ons de scherpe kanten van het valorisatiedenken kunnen wegvijlen. Het zijn zaken waar veel studenten misschien geen weet van hebben. Maar het is wel wrang om dan, vanwege de onherkenbaarheid van dat verzet, in één lijn met economisten en rancuneuze rendementsdenkers te worden geplaatst.

Onjuist is ook de eerder gemaakte suggestie dat bijvoorbeeld logica, kentheorie en wetenschapsfilosofie zich voor de politiek of maatschappij verstoppen of daarvoor irrelevant zijn. Zelf geef ik colleges aan rechters over redeneren met evidentie en over de rationaliteit van groepsbeslissingen. Ik ontwerp methoden die ons in staat stellen om klimaatmodellen te vergelijken en te vertalen naar een politieke praktijk. En ik werk samen met psychiaters aan het verbeteren van indelingsschema’s voor psychiatrische stoornissen. Het klopt gewoon niet dat kentheoretische en wetenschapsfilosofische vraagstukken geen relatie zouden onderhouden met wat voor ons allemaal van belang is.

Het ironische is dat de logisch empiristen, die aan de basis stonden van een internationale en wetenschappelijk georienteerde filosofie, een heel progressieve sociale agenda hadden. De transparantie en toegankelijkheid van kennis die zij voorstonden, vormen nog steeds nuttig gereedschap bij het demonteren van machtstructuren. En toch wordt diezelfde logisch empiristen verweten dat zij zich in de ivoren toren hebben teruggetrokken. Hoe vinden we de weg naar buiten: via de persoonlijke netwerken van guru-achtige filosofen als Heidegger, Sartre, Wittgenstein en McDowell, of via de netwerken die door publiek toegankelijke internationale publicaties worden aangelegd? Zo simpel is de zaak natuurlijk niet maar ik wijs toch graag op de sociale, om niet te zeggen socialistische motieven van de filosofische traditie waarin ik zelf werk, en van het ideaal van kennisdeling dat daarin wordt nagestreefd.

Ik blijf mij er vol voor inzetten dat de faculteit, als representant van filosofie over de volle breedte, de ramen opengooit en het contact met de grote wereld opzoekt. En dat moeten we op zo’n manier doen dat iedereen de waarde en het kritische vermogen van de filosofie kan zien. Studenten hebben daarin niet alleen de rol van studerenden, maar ook die van gesprekspartner, inspiratiebron, mede-verantwoordelijke en toetssteen. Aan ons dus de taak om voor studenten de waarde en het kritisch vermogen van de filosofie zichtbaar te maken, en aan studenten de taak om met tegengeluiden en aanmoedigingen te komen.

Dat alles moeten we bereiken met een brede blik, en zonder te vervallen in simpele tegenstellingen. Daarvoor staat er gewoon te veel op het spel: de toekomst van de faculteit en alle kansen die het biedt om de filosofie tot leven te brengen. Vermijd dus de simpele tegenstellingen, want daar doen we de filosofie geen plezier mee.


Jan-Willem Romeijn is hoogleraar Wetenschapsfilosofie en voorzitter van de vakgroep Theoretische Filosofie aan de Faculteit Wijsbegeerte in Groningen. In zijn werk combineert hij filosofie met een breed scala aan wetenschappen, waaronder wiskunde, psychiatrie, archeologie, muziekwetenschap, natuurkunde, en psychologie.

Facebooktwittertumblrmail

Dit artikel is geschreven door een gastauteur. Schrijf ook voor de Qualia! Kopij kan gestuurd worden naar de redactie via fil-qualia@rug.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *