Saamhorigheid en verbrokkeling Een verhandeling over het eeuwige streven naar de gemeenschap

De tijdsgeest waarin wij leven is een die in zeer grote mate de traditie heeft verworpen. Omwille haar eigen volledige autonomie te bevestigen, hebben vorige generaties zich willen bevrijden van een leidraad, datgene wat houvast geeft om zich te kunnen weren tegen de overweldigende realiteit van het bestaan. De verbrokkeling van een overkoepelend geheel betekende het begin van een nieuw tijdperk: de moderne samenleving.

Door Wouter van Staveren

“But what is liberty without wisdom, and without virtue? It is the greatest of all possible evils; for it is folly, vice, and madness, without tuition or restraint.”

Edmund Burke

Een van de vele resultaten van de geboorte van het modernisme is de dood van de hechte, persoonlijke gemeenschap en de geboorte van de geïsoleerde, onpersoonlijke samenleving. Dit onderscheid werd voor het eerst geïntroduceerd door de Duitse socioloog Ferdinand Tönnies in de negentiende eeuw, en zou later veel terug komen in het werk van de Duitse socioloog, Max Weber.1 Vaak ziet de moderne mens de gemeenschap als iets van vroeger, als een sociale structuur die net te veel waarde hechtte aan titels en zeden en bovendien minderheden, zoals vrouwen en buitenstaanders, onderdrukten. Alhoewel deze ideeën met de kennis van vandaag volledig terecht zijn, zijn wij nog niet gerechtigd om de gemeenschap te verwerpen, op basis van een aantal effecten van de gemeenschap die zich door de geschiedenis heen hebben voorgedaan. Integendeel, ik meen dat juist de huidige sociale structuur, oftewel de samenleving, volstrekt onwenselijk is, en dat we moeten streven naar de gemeenschap. In dit essay zal ik voor deze stelling argumenteren.

De motivatie achter de gemeenschap

Als we naar de geschiedenis kijken zien we dat mensen altijd al gemeenschappen hebben gevormd. Een veelvoorkomende verklaring voor de motivatie achter deze groepsvorming, overgenomen van denkers als Jean-Jacques Rousseau en Thomas Hobbes, is dat individuen groepen vormen omdat dit in hun eigenbelang is. Volgens hen zou de mens pas een groep gaan vormen wanneer zij er van bewust wordt dat een groep, waarin mensen met elkaar samenwerken, een betere stand van zaken is dan de natuurstaat, waar het leven door Hobbes wordt omschreven met de bekende woorden: “solitary, poor, nasty, brutish, and short.”

Echter, deze verklaring vertelt niet het hele verhaal, want de mens is geen wezen dat zich alleen maar bekommert om zijn eigen welbevinden. Integendeel, de mens is op zoek naar saamhorigheid in de vorm van gedeelde idealen en vriendschap, hij is immers een sociaal wezen. Verder zien we dat individuen die een deel vormen van een gemeenschap haar gemeenschap zien als een essentieel aspect van hun leven, aangezien zij die met grote zorg koesteren. De individuen die – om wat voor reden dan ook – buiten de gemeenschap vallen, achten hun geïsoleerde positie veeleer als ondraagbaar, waardoor zij een sterke drang krijgen om alsnog tot een gemeenschap te behoren. Het duidelijkste voorbeeld hiervan zijn intellectuelen; zij laten zich leiden door de rede in plaats van de traditie, maar de geschiedenis laat zien dat juist zij als eerste worden verleid door de ‘grote verhalen’, zoals het marxisme en het fascisme, die een indruk lijken te geven van een hechte, persoonlijke gemeenschap. Het maakt dus niet uit waar we ons bevinden en in welke tijd, de mens kent altijd een streven naar de gemeenschap. Hieruit volgt dat de behoefte om in een gemeenschap te leven diep ingesloten ligt in de menselijke natuur. Daarom is het aan ons helemaal niet besteed om als een hoop ‘botsende atomen’ in een geïsoleerde, onpersoonlijke samenleving te leven. Net zoals andere natuurlijke behoeftes, zoals liefde en vriendschap, moeten we deze behoefte niet onderdrukken, maar juist nastreven.

Aangezien de gemeenschap iets is waar de mens altijd naar streeft, heeft de gemeenschap kennelijk een bepaalde waarde voor ons. Maar wat voor waarde? Om een antwoord te kunnen geven op deze vraag moeten wij eerst kijken naar wat een gemeenschap maakt tot wat ze is. Met andere woorden: hoe ziet de sociale structuur van de gemeenschap er uit?

De sociale structuur van de gemeenschap

Over het algemeen kent elke sociale structuur (een samenleving, gemeenschap of een ander type van groepsvorming) zowel een immateriële als een materiële kern. De immateriële kern constitueert de tradities, normen en waarden die op een bepaald moment dominant zijn. De materiële kern verwijst naar de vele instituties en organisaties die elke vorm van sociale structuur kenmerken: familie, staat, kerk, universiteit, markt, vakbonden etc. Wil een samenleving goed functioneren, dan zullen de verschillende kernen met elkaar samen moeten werken. Zo kan onder andere de staat volledig op zichzelf niet goed functioneren; haar macht is beperkt, want die moet handelen in overeenstemming met specifieke normen en waarden. Omgekeerd werkt het precies hetzelfde: wanneer er veranderingen plaatsvinden binnen de materiële kern zullen de normen en waarden in veel gevallen mee moeten veranderen. Zo hebben de veranderingen op de markt tijdens het begin van de twintigste eeuw onder andere geleid tot de emancipatie van de vrouw op de arbeidsmarkt, waardoor denkbeelden over de capaciteiten van vrouwen veranderden.

In de sociale structuur van de gemeenschap is het duidelijk dat de twee kernen sterk met elkaar verbonden zijn. Elke gemeenschap kent een immateriële kern waarin verschillende waarden het collectieve benadrukken in plaats van het individuele. Dit zorgt ervoor dat mensen – die immers niet als engeltjes worden geboren – niet enkel aan hun eigenbelang denken maar ook meeleven met hun medemens. Echter, de immateriële kern van de samenleving wordt zwaar aangetast door waarden die het individu benadrukken. Het gevolg hiervan is dat de immateriële kern onvoldoende kan samenwerken met de materiële kern, omdat de verschillende instituties en organisaties dan niet langer een streng moreel en ethisch kader hebben die het collectieve belang voorop stellen. Dit zorgt ervoor dat de twee kernen van elkaar worden gescheiden, waardoor het immateriële wordt gereduceerd tot de wispelturige voorkeuren van het individu, en er slechts een materiële kern overblijft die voornamelijk volgens haar eigen wetten werkt.

Nu moge het duidelijk zijn wat de waarde van de gemeenschap is: doordat de twee kernen met elkaar samenwerken en elkaar aanvullen, ontstaat er een coherente stabiele orde waarin het individu tot zijn volle recht kan komen in zijn saamhorigheid met de ander. De rede waarom het individu niet tot haar volle recht kan komen in de samenleving, is dat het individu onmogelijk een volledig mens kan worden op basis van pure individualiteit. Anders gezegd: de mens heeft de mogelijkheid om voorbij haar eigen zelf te kijken, naar het sociale en naar het immateriële of spirituele, en voelt zich ook aangetrokken in die richting. De gemeenschap produceert dus een eenheid, een gemeenschapsgevoel, terwijl de samenleving veeleer verdeeldheid zaait door haar focus op individualistische waarden. Hiermee komen wij tot mijn laatste punt: de gemeenschap kan eenheid genereren ondanks dat individuen divers zijn, terwijl de samenleving geen eenheid kan genereren, doordat de individuen divers zijn. Omdat de gemeenschap een vorm van diversiteit toelaat die in overeenstemming is met de immateriële kern kan zij eenheid genereren, terwijl de samenleving een onbeperkte vorm van diversiteit toelaat, waardoor de mogelijkheid van eenheid wordt verworpen.

In de samenleving wordt (zoals gezegd) vooral het individu benadrukt. Dit geeft het individu veel vrijheid om te doen wat hij of zij begeert. Voor veel moderne mensen zal dit als muziek in de oren klinken. Ik meen echter dat een doorgeschoten individualisme, dat zo kenmerkend is voor de samenleving van vandaag, één van de hoofdoorzaken is van veel actuele problemen waarmee de moderne mens geconfronteerd wordt, zoals het verlies van het gemeenschapsgevoel, het vervagen van identiteiten en culture integratie. Doordat er geen hogere traditie is die alle individuen met elkaar verbindt wordt alles aan het individu overgelaten. Het resultaat hiervan is een enorme toename aan diversiteit die uiteindelijk onhoudbaar is, omdat een onevenredige hoeveelheid diversiteit tot ernstige conflicten leidt. Natuurlijk snap ik dat diversiteit een belangrijke waarde heeft. Alle discussies op politiek, sociaal en cultureel niveau vooronderstellen een bepaalde mate van diversiteit, die onmisbaar is om de ontwikkeling binnen die domeinen voort te zetten. Maar alles heeft zijn grenzen, en wanneer die grenzen worden overstegen, slaat het goede om in iets slechts. Bovendien zien we dat een onevenredige hoeveelheid diversiteit leidt tot conflicten tussen tegengestelde individuen die maar zelden opgelost kunnen worden: in het beste geval eindigt het in een compromis, waar geen van beide partijen tevreden mee kan zijn, waardoor de verdeeldheid in de samenleving alleen maar toeneemt. Inderdaad, in de samenleving leven wij niet met elkaar, maar langs elkaar heen.

Om een volledig antwoord te geven op de vraag “hoe nu verder?” is niet aan dit essay besteed. Wel kan ik het volgende hierover kwijt. Ik geloof dat de grootste mogelijkheid van verandering ingesloten ligt in het menselijke bewustzijn zelf, niet in een van de vele onderdelen van de materiële kern. Wanneer de visie op de werkelijkheid van een grote groep mensen op een substantiële manier verandert, zal het nieuwe wereldbeeld zich spoedig en moeiteloos uiten in de materiële kern: in de politiek, de markt, de universiteit et cetera. De richting van het dynamische proces dat het menselijke bewustzijn heet is wel degelijk te beïnvloeden, hoewel zeer beperkt. Uiteindelijk zal de verandering uit de mens zelf moeten komen.

We hebben gezien dat het streven naar de gemeenschap een menselijke behoefte is, en dat we deze behoefte niet moeten onderdrukken, maar juist moeten nastreven omdat de sociale structuur van de gemeenschap een coherente stabiele orde vormt, waarin het individu tot haar volle recht komt. De gemeenschap is daarmee ongetwijfeld te prefereren boven de huidige sociale structuur, oftewel de samenleving, waarin het primaat van het collectieve ondergeschikt wordt aan het individuele, met alle destructieve gevolgen van dien. Of de gemeenschap ooit nog zal terugkeren is nog maar de vraag, wel kunnen we met enige zekerheid vaststellen dat haar lot in de handen van de mens zelf ligt, en niet in de handen van bijvoorbeeld een politiek orgaan.

Facebooktwittertumblrmail

Wouter is derdejaarsstudent wijsbegeerte en is sinds twee jaar redacteur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *