Richtingloos Een schets van het depressieve bewustzijn

Depressiviteit laat zich maar moeizaam in woorden vatten. Zelfs onder lotgenoten is er vaak een stilzwijgend wederzijds begrip; het gaat over ‘dat’, en iedereen snapt ongeveer wat ‘dat’ is. Dit artikel is een poging om dat ‘dat’, via de fenomenologie, toch enigszins in kaart te brengen. Hopelijk biedt dit enige herkenning voor hen die zich in de beschrijving kunnen vinden, en een beter begrip van de depressieve medemens voor de rest.

Door Justin Warners

Eerst een paar waarschuwingen vooraf: dit is geen filosofische verhandeling. Ik beroep me alleen op fenomenologische ideeën omdat ik geloof dat een begrip van het bewustzijn als een gericht-zijn-op een zinnige ingang geeft tot de manier waarop depressie dat bewustzijn aantast. Het enige onderzoek dat ik voor dit stuk heb gedaan is het lezen van een deel van Toward a Phenomenology of Depression, de doctoraatsthesis van Jill Marie Gilbert; waar ik haar ideeën indirect aanhaal, is dat omdat ze bij mijn eigen ervaring aansluiten. Ik probeer geen sluitende argumentatie aan te voeren, maar een ervaring waarheidsgetrouw onder woorden te brengen. Daarnaast is het, gezien de subjectieve aard van dit stuk en depressie zelf, heel goed mogelijk dat niet iedereen zich erin kan vinden. Om dit zo veel mogelijk te voorkomen heb ik het stuk aan verschillende ‘ervaringsdeskundigen’ voorgelegd. Ten slotte is het goed om te weten dat het onderscheid tussen depressief en niet-depressief lang niet zo binair is als het hieronder geschetst zal worden, maar dat het eerder een spectrum is waarvan ik de twee uitersten probeer weer te geven.

Naar voren, naar buiten

Om een beeld te krijgen van hoe depressie het bewustzijn aantast, zullen we eerst moeten schetsen hoe dat bewustzijn in normale omstandigheden werkt. Een grove fenomenologische benadering kan er als volgt uit zien: het menselijk bewustzijn is geen op zichzelf staande entiteit, die zich van buitenaf bezig kan houden met het lichaam waar ze in huist of de wereld waarin ze zich bevindt. In plaats daarvan is het bewustzijn altijd een gericht-zijn-op. Net zoals je niet kunt kijken zonder ergens naar te kijken, kun je niet bewust zijn zonder je ergens van bewust te zijn. Het lichaam is een onderdeel van die gerichtheid; de zintuigen en zenuwen winnen continu informatie in over de wereld om zich heen. Onze cognitieve vaardigheden stellen ons in staat om die informatie te verwerken en te gebruiken. Zo staan we in een constante dialoog met de wereld, waarin ons begrip van die wereld steeds wordt aangepast op basis van nieuwe input. Dat begrip stelt ons weer in staat om op onze beurt invloed op de wereld uit te oefenen. Een concreet voorbeeld helpt dit idee verder uit te werken.

Wat betekent het om je bewust te zijn van een bekende die je op straat passeert? Het betekent in ieder geval dat je aandacht op diegene is gericht; of je hem nou aanspreekt of niet, je bewustzijn gaat al bij het eerste oogopslag een dialoog aan met die persoon. We kunnen hier van een dialoog spreken omdat datgene wat je ‘binnenkrijgt’ over de bekende passant tegelijkertijd wordt bepaald door zijn eigenschappen, en door je eigen ideeën over hem. Misschien lees je bijvoorbeeld in zijn pas af dat hij te veel haast heeft om even een praatje te maken en dat je hem beter alleen even kunt groeten, of misschien heb je heel erg de behoefte om iets leuks dat je net hebt beleefd met wie dan ook te delen, en zie je in hem je perfecte slachtoffer. Maar of je hem nu kort wilt groeten of uitvoerig wilt spreken, je aandacht is altijd verbonden met de mogelijkheden die voor je liggen, met wat je zou kunnen gaan doen. Die aandacht is zowel fysiek als mentaal; je ogen nemen hem bijvoorbeeld op, maar vormen zich ook gelijk in een blik van herkenning – je lichaam en je gedachten zijn constant samen aan het ageren en reageren. Bewustzijn is dus een gericht-zijn-op dat geïnformeerd wordt door zowel de buitenwereld als je eigen ervaring, en dat zich richt op de toekomst. Het is constant bezig een beeld te vormen van de omgeving waarin het zich bevindt, en zichzelf op die omgeving aan te passen, of vice versa.

Naar achteren, naar binnen

Bij de depressieve persoon is er sprake van een andere vorm van bewustzijn, of een verstoorde dialoog met de buitenwereld. Voor we het hier over kunnen hebben, zullen we echter eerst moeten bekijken hoe depressiviteit over het algemeen tot stand komt.

Een heel algemeen beeld van de oorsprong van depressie kunnen we schetsen aan de hand van de fictieve Jonas. Hij is een kritische jongeman die hoge eisen stelt, vooral aan zichzelf. Hij is dan ook vaak ontevreden over zichzelf, maar hij heeft geleerd om die ontevredenheid als motivatie te gebruiken om zichzelf vooruit te stuwen. Dan gebeurt er iets dramatisch in het leven van Jonas; misschien heel plotseling, zoals een sterfgeval, of hij wordt over vele jaren erg naar behandeld. Of er gebeurt helemaal niets dat hij als eerste oorzaak aan kan wijzen, maar hij voelt zich gewoon niet op z’n gemak op een manier die hij zelf ook niet zo goed begrijpt maar die wel steeds erger wordt.

Hoe het ook precies ontstaan is, de dialoog die Jonas met de wereld voert, begint een andere vorm aan te nemen. De gerichtheid op mogelijkheden verandert in een focus op onmogelijkheden, en zijn oriëntatie op de toekomst verschuift naar het verleden. Waar hij de wereld eerst zag als een belofte van alles wat hij zou kunnen doen, ziet hij nu steeds meer vooral wat er mislukt is en wat nooit meer goed kan komen. Het contact met de wereld is voor hem niet langer een openbaring van oneindig veel opties, maar een harde confrontatie met oneindig veel beperkingen. De verantwoordelijkheid die voor anderen verbonden is met activiteit, met zelf keuzes kunnen maken, verwordt voor Jonas tot een schuldvraag: wie of wat heeft ervoor gezorgd dat niets lukt?

Het is dan ook niet verrassend dat Jonas die confronterende buitenwereld langzaam buiten begint te sluiten, en naar binnen gekeerd raakt. In zijn contact met anderen, zelfs zijn meest dierbaren, ervaart hij vooral juist de onoverbrugbare afstand, een afstand die paradoxaal genoeg de oorzaak van zijn terugtrekking is, en tegelijkertijd alleen maar groter wordt door die terugtrekking. Hij voelt zich eenzaam, waardoor hij zich isoleert, waardoor hij zich eenzamer voelt. Ook emotioneel sluit hij zich af; omdat hij veel vaker en heviger pijn voelt dan plezier ontvlucht hij al zijn gevoelens en wordt hij langzaam apathisch.

Zijn lichaam was altijd Jonas’ toegang tot de wereld, maar nu die wereld steeds meer zijn vijand is geworden trekt hij zich ook uit dat eigen lichaam terug. Het verwordt tot een ding buiten hemzelf, een ding dat hij meesleurt en dat hem meesleurt. Naarmate zijn lichaam verder van hem af komt te staan, raken ook zijn natuurlijke lichaamsfuncties verstoord; hij voelt zich fysiek constant vermoeid, maar kan niet goed in slaap komen (of slaapt juist veel te veel), zijn eetlust verdwijnt nagenoeg en seksueel verlangen kent hij ook steeds minder. Lichamelijke handelingen die ooit vanzelfsprekend waren, tot lopen aan toe, gaan steeds moeizamer, en worden op zijn best een vervelend klusje.

Als Jonas nu eens degene is die een bekende op straat tegenkomt, zien we dat de ervaring voor hem volstrekt anders is. Alleen al de weg tussen zijn eerste blik en het bewustzijn dat daar een bekende loopt is langer, omdat wat hij ziet en zelfs de ogen waardoor hij kijkt voor zijn gevoel buiten hem staan. Hij zal niet automatisch geneigd zijn om de bekende te benaderen, maar dat misschien juist proberen te vermijden, bang om weer geconfronteerd te worden met hoe moeilijk het is om vanuit zijn eigen hoofd contact te leggen met iemand daarbuiten. Jonas voelt bijna geen blijdschap om diegene te zien, zelfs al is het een goede vriend, maar ervaart vooral druk om zich ‘normaal’ voor te doen, ook al voelt hij zich daar verre van. Omdat Jonas de laatste tijd sowieso steeds minder mensen spreekt, voelt zelfs het praten tegennatuurlijk; het is bijna alsof iemand anders spreekt, en hij komt niet uit z’n woorden. Na het gesprek zal de bekende van Jonas het misschien leuk vinden om hem even gezien te hebben; hij zal zichzelf vooral de manieren herinneren waarop het gesprek niet liep.

Het labyrint

Nu Jonas zijn omgeving en zelfs zijn eigen lichaam heeft afgescheiden als een apart domein, kan hij nergens meer vertoeven behalve in zijn eigen geest. Maar die geest was juist altijd één grote pijl naar buiten, een gerichtheid op de wereld. Er is nu dus niets over van Jonas behalve die pijl, en niets voor die pijl om naar te wijzen. Toch kan zijn geest niet helemaal stilvallen; ze kan niet anders dan zich ergens op richten. Met niets anders over richt ze zich tot zichzelf.

Jonas’ binnenwereld, nu zijn enige wereld, is zowel leeg als overbevolkt. Hij is leeg omdat hij nagenoeg geen input meer ontvangt van buiten, en overbevolkt omdat vicieuze cirkels van dezelfde gedachten over dezelfde gebeurtenissen uit het verleden zich tot in den treure herhalen, en neerwaartse spiralen van gedachten over gedachten zichzelf uitstrekken tot in het oneindige. Zulke dwangmatig opkomende constructies die zorgen dat hij zich in zijn eigen hoofd verdwaald, vinden de vruchtbaarste voedingsbodem als hij op de eerder genoemde schuldvraag (‘wie of wat zorgt dat niets lukt?’) zichzelf als antwoord geeft. Hij kan dan een gedachtestroom inzetten als “Ik ben een nietsnut omdat ik me nergens meer toe kan zetten omdat ik me de hele tijd zo’n nietsnut voel,” of “Ik ben egoïstisch omdat ik met niets anders meer bezig ben dan mezelf; zelfs deze gedachte gaat over mezelf”, en deze volgen zonder ooit een eindpunt te bereiken.

In zichzelf gekeerd treft onze Jonas dus een oneindige, lege diepte aan, waar hij steeds verder in kan duiken zonder ooit ergens dichter bij te komen, maar alleen maar verder van al het andere af te raken. Zijn andere, afstandelijke blik op de wereld kan zich steeds verder van die wereld afkeren. Uiteindelijk leidt dit tot derealisatie; de echte wereld voelt niet alleen verder weg, maar voelt niet echt meer. Jonas heeft geen schizofrene waanbeelden van engelen en demonen, en hij denkt ook niet echt dat de wereld niet bestaat, maar als hij over straat gaat voelt het voor hem alsof wat zijn ogen zien en zijn oren horen een soort film is, een fabricatie. Met ons begrip van het bewustzijn als nauw verbonden met ons beeld van de buitenwereld, is te begrijpen hoe derealisatie voor Jonas hand in hand gaat met depersonalisatie. Het labyrint van dwangmatige gedachten waar hij in vastzit is al lang niet meer zijn ‘zelf’ zoals hij dat ooit kende, en de vervreemding die hij voelt van de wereld loopt samen met de vervreemding die hij voelt van het zelf dat hij ooit had, het zelf dat altijd een zelf-in-de-wereld was.

Als hij diep genoeg afdaalt in het lege labyrint, is het heel onwaarschijnlijk dat Jonas nog functioneert in zijn dagelijks leven. Buiten zijn eigen huis voelt hij zich onveilig; zelfs als hij niet denkt dat anderen hem daadwerkelijk iets aan willen doen, voelt hij zich als een indringer in een vreemde wereld wanneer hij zich onder mensen begeeft; zij zijn allemaal normaal, ze leven hun leven. Maar hij, hij zit daar maar, weggescholen in z’n eigen hoofd, en doet alsof hij één van hen is. Omgaan met collega’s of studiegenoten is een beproeving. Zijn lichaam zit vol met spanning en hij is te onrustig om zich op wat dan ook te concentreren. Hoe minder het Jonas lukt om aan zijn dagelijkse verplichtingen te voldoen, hoe meer hij zich isoleert en hoe meer ruimte hij heeft om het labyrint verder te verkennen.

In een situatie als die van Jonas wordt het misschien iets begrijpelijker hoe het kan dat depressies zo vaak de oorzaak zijn van zelfmoord. Ik ben huiverig om met een te grote kwast te verven bij zo’n lastig onderwerp, dus laten we Jonas vanaf nu als één specifiek geval behandelen, waar waarschijnlijk vele gevallen op lijken, maar dat zeker niet alles zegt. Enfin, voor Jonas begint zelfmoord een steeds aantrekkelijker idee te worden. Dat hij gewoon niet meer wil bestaan, of dat hij het niet verdient te leven, of dat blijven leven voor hem een ondraaglijke beproeving is geworden, zijn misschien delen van de aantrekkingskracht, maar ze zijn niet de voornaamste. Ja, hij is heel erg moe, moe van zichzelf en van het ronddwalen in de gevangenis die hij voor zichzelf heeft gebouwd, maar meer nog dan dat heeft hij het gevoel dat hij eigenlijk toch al niet meer bestaat. Wie hij ooit was, toen hij nog in de wereld leefde in plaats van alleen maar in zijn eigen hoofd, is hij allang kwijtgeraakt en zal hij toch nooit meer terugvinden. Er is nu niets meer behalve cirkels en spiralen, cirkels en spiralen die een lichaam mee moeten sjouwen en soms ook nog eens moeten doen alsof ze een echt mens zijn. Voor Jonas voelt het niet zozeer alsof zijn dood gerechtigheid of verlossing zou bieden, maar meer alsof het een formaliteit is om zijn sterven, dat zich allang voltrokken heeft, definitief te maken.

Uitwegen

Dat we kunnen sympathiseren met mensen die zich, net als Jonas, gedreven voelen om hun leven te beëindigen, betekent natuurlijk niet dat we er vrede mee moeten hebben dat depressie mensen soms de dood in jaagt. Gelukkig zijn er minder drastische uitwegen.

Ook hier is het lastig om algemene uitspraken te doen; er zijn minstens zoveel opvattingen over hoe een depressie het best behandeld kan worden als er behandelaars zijn. Cognitieve gedragstherapie zet zwaar in op heractivering en ombuiging van negatieve gedragspatronen, terwijl een meer psychotherapeutische insteek dit als symptoombestrijding ziet en op zoek gaat naar het trauma of conflict dat ten grondslag ligt aan de depressie. Ik zal geen boude claims doen over wie wat voor hulp zou moeten zoeken, en bijvoorbeeld of daar al dan niet medicatie aan te pas zou moeten komen. Als alle wegen naar Rome leiden, leiden er zeker ook velen uit Knossos, en het is aan eenieder om zijn eigen weg te vinden.

Wat ik, op basis van bovenstaande analyse, wel durf te stellen over het opklimmen uit een depressie, is dat Jonas en anderen met hem een enorme taak voor zich hebben liggen, namelijk om zich, op wat voor manier dan ook, weer naar buiten te keren. Wat hij terug moet zoeken is zijn in-de-wereld-zijn, zijn plek in de wereld, en als zijn oude plek niet meer bestaat zal hij een nieuwe voor zichzelf uit moeten kerven. Dit gaat altijd gepaard met vallen en opstaan, en het zal een extra klus voor hem zijn om niet alleen maar bij de vallen stil te staan maar ook juist te merken hoe hij steeds makkelijker weer opstaat. Het proces van zich in de wereld plaatsen, en niet verdwalen in de eigen gedachtenwereld maar die in dialoog houden met de buitenwereld, is nooit echt volbracht. Schrale troost voor mensen als Jonas: hoewel het proces voor hen een andere vorm aanneemt en er meer op het spel staat, dient deze worsteling zich evengoed voor ‘normale’ mensen aan.

Er is nou eenmaal, zelfs voor mensen als Jonas op hun dieptepunt, iets veilig en vertrouwds aan het ronddwalen door je eigen hoofd, een verleiding die de meesten op onze faculteit zullen herkennen. In je eigen gedachtewereld wordt je nooit geconfronteerd met het onverwachte, het andere, het oneigene. Ik wil zeker niet zeggen dat je eigen hoofd je vijand is, verre van, maar het is goed om je bewust te zijn dat die verleiding soms bedrieglijk is; je bestaat niet in een vacuüm van waaruit je vervolgens de wereld in kunt treden, maar het is juist in die wereld waar je vorm krijgt. Ontwikkel vooral je gedachten, maar blijf ook de confrontatie aangaan met de onvoorspelbare wereld om je heen. Ga flink op je bek. Probeer het nog een keer. Je komt er wel. Jonas is er nog, en hij blijft het proberen. Als hij het kan, kan jij het ook.

Facebooktwittertumblrmail

Justin is vijfdejaarsstudent wijsbegeerte en alwetend op het gebied waar de kunsten de filosofie kruisen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *