‘Over de Vertroosting der Wijsbegeerte’ Een speculatie over de motieven van de schrijver

De vroegmiddeleeuwse filosoof Boëthius schrijft tijdens een onterecht gevangenschap een van de meest invloedrijke boeken van de middeleeuwen: Over de Vertroosting der Wijsbegeerte. Hij bespreekt hierin zaken als vrije wil en determinisme, het lot en goddelijke voorzienigheid. Ik vraag mij af waarom hij dit deed. Streefde hij eeuwige roem na of was het gewoon verveling?  

 

De tijd waarin Anicius Manlius Severinus Boëthius leefde, het Italië van de late 5e eeuw en de vroege 6e eeuw, was er een van politieke onrust. Nadat de laatste West-Romeinse keizer (symbolisch) was afgezet, nam de barbaarse legeraanvoerder Odoaker de macht over. Romeinen als Boëthius stonden formeel nog onder gezag van de Oost-Romeinse keizer in het Byzantijnse Rijk, maar een barbaar op de troon zinde de keizer niet. Daarom stuurde hij een leger onder leiding van Theodorik de Grote, die tot zijn dood in 526 over het West-Romeinse rijk heerste.   

Nadat zijn vader jong stierf, werd Boëthius geadopteerd door de invloedrijke familie van Symmachus, met wiens dochter hij later trouwde. Symmachus bracht hem de liefde voor filosofie en literatuur bij. Boëthius genoot een uitgebreide opleiding in een milieu van Romeinse traditie, Griekse cultuur en christendom. Zijn toegang tot Latijnse filosofische literatuur heeft zijn latere werken duidelijk beïnvloed: zo vertaalde en becommentarieerde hij werken van voornamelijk Aristoteles. Ook hield hij zich bezig met logica, wiskunde en theologie.   

Later in zijn leven bekleedde Boëthius ook politieke functies, zoals voor zijn stand gebruikelijk was. Hij was zelf consul en had de eer zijn beide zoons hiertoe benoemd te zien worden. Voor korte tijd was hij leidend bureaucraat en adviseur direct onder koning Theodorik. Hier kwam in 523 een einde aan toen de filosoof vanuit zijn functie consul Albinus verdedigde, die werd verdacht van het samenspannen met de Oost-Romeinse keizer Justinus. Theodorik stond namelijk al een poosje op gespannen voet met het Byzantijnse Rijk en na zijn gewaagde verdediging werd ook Boëthius verdacht. Wat ook niet hielp was dat hij net als keizer Justinus katholiek was, terwijl Theodorik het arianisme aanhing, een andere stroming binnen het christendom. Uiteindelijk werd Boëthius tot de dood veroordeeld voor onder andere sympathie voor de ‘Romeinse vrijheid’ en het beoefenen van magie.  

Het boek 

Boëthius werd van zijn bezittingen beroofd en verbannen. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij het beroemde Over de Vertroosting der Wijsbegeerte (De consolatione philosophiae). In proza afgewisseld met poëzie zoekt een fictieve versie van Boëthius vanuit gevangenschap hulp bij een raadgever die hem altijd al heeft geholpen: Vrouwe Filosofie.  

Boëthius voelt zich onrechtvaardig behandeld en geeft het lot hiervan de schuld. Filosofie denkt echter dat hij simpelweg uit het oog is verloren wat echt belangrijk is. Zijn opsluiting en verloren bezittingen doen er helemaal niet toe; hij heeft een vrouw en kinderen en kan nog altijd helder nadenken. Ze legt uit dat alles wat het lot bepaalt, onderdeel is van Gods plan. Alles wat gebeurt heeft namelijk als uiteindelijk doel het goede.  

De fictieve Boëthius vraagt zich gedurende de dialoog af hoe dingen uit de vrije wil of toevalligerwijs kunnen bestaan. Als God altijd al heeft geweten wat gaat gebeuren, dan ligt alles toch vast? Vrouwe Filosofie verklaart dit door te stellen dat God de wereld waarneemt vanuit een soort ‘oneindig heden’: hij is in staat alles wat is gebeurd en zal gebeuren in één keer waar te nemen. Zijn leven is puur intellectueel en wel zo sterk ontwikkeld dat het in staat is alles wat er is gelijktijdig te begrijpen. Het is dus beter te spreken van de kennis van een moment zonder einde dan van voorkennis. Zaken kunnen toevallig of vanuit vrije wil gebeuren omdat de zogeheten goddelijke voorzienigheid niet betekent dat ze noodzakelijkerwijs zo plaatsvinden; er had even goed iets anders kunnen gebeuren.  

Mogelijke motieven 

De vraag rest nu wat het was dat Boëthius motiveerde Over de Vertroosting te schrijven. Was hij slechts verveeld, streefde hij eeuwige roem na of was er iets anders aan de hand?  

Het is wellicht lichtelijk respectloos te zeggen dat Boëthius dit boek enkel schreef om eeuwige roem te verkrijgen, maar onaannemelijk is het niet. Voor zijn opsluiting heeft Boëthius maar weinig originele werken geschreven en hij was hier zeker toe in staat. De afwisseling van proza met poëzie toont dat hij bekend was met vele literaire tradities en zijn complexe godsbeeld uit kon werken om met de wereld te delen. De gedachte dat hij de kans greep om te worden herinnerd na zijn dood, is daarom nog niet eens zo vreemd.   

Ook verveeldheid kan een kleine rol hebben gespeeld. Boëthius was natuurlijk voor lange tijd opgesloten en had waarschijnlijk geen toegang tot literatuur om zich te vermaken. Hij was daarbij overtuigd christen, en kan daarom gedurende zijn laatste dagen niets liever hebben gewild dan deze aan God te wijden. Het was voor hem misschien het meest betekenisvol om dit te doen door te schrijven in plaats van bijvoorbeeld te bidden, aangezien hij zijn hele leven al heeft geschreven. 

Wat als eerste opvalt in de eerste hoofdstukken van het boek, is hoe verloren de fictieve Boëthius zich voelt. Zoals Vrouwe Filosofie ook benadrukt, is hij uit het oog verloren wat echt belangrijk is. Hij kon immers goed nadenken en had zijn familieleden nog, maar alles wat hij zag was zijn opsluiting en het verlies van zijn bezittingen. De echte Boëthius kan zich aan het begin van zijn gevangenschap ook zo hebben gevoeld en wie weet probeerde hij zijn gedachten in woorden uit te drukken na de realisatie dat er veel belangrijkere dingen zijn.  

Boëthius was in ieder geval een goede onderdaan, maar misschien ook wel volgeling of vriend van Theodorik. De filosoof kan zich ondankbaar behandeld hebben gevoeld, nadat hij de koning jaren trouw heeft gediend. In zijn boek kon hij laten zien dat hij het altijd goed heeft bedoeld, of de koning juist als onrechtvaardig neerzetten.  

Zoals gezegd geloofde Boëthius ook op een andere manier dan Theodorik. Zo werden de Zoon en de heilige Geest in het arianisme als ondergeschikt aan God gezien, waar Boëthius juist vóór de drie-eenheid pleitte. Boëthius’ doel kan zijn geweest duidelijk te maken dat zijn manier van geloven de beste was, voor iedereen die het net als hij moeilijk te verklaren vond hoeveel manieren van geloof er bestonden.  

Een laatste verklaring voor het schrijven van de Over de Vertroosting kan zijn dat Boëthius zich na zijn rijke filosofische studie gedurende zijn leven dit beeld van God heeft gevormd. Hij moet veel hebben gelezen en zijn argumentatie laat dan ook groot filosofisch inzicht zien. In gevangenschap had hij genoeg tijd over dit beeld na te denken en het uit te werken.  

Het is natuurlijk onmogelijk er ooit achter te komen wat Boëthius’ eigenlijke intenties met het boek waren. Wat in ieder geval duidelijk is, is dat hij zijn gedachten tijdens een onterecht gevangenschap op papier kon uiten. Ongeacht zijn bedoeling, het beeld dat Boëthius schetste van God is nog steeds actueel en zijn eeuwige roem heeft hij zeker gekregen.  

Afbeelding door Marieke Druiven

Facebooktwittertumblrmail

Corina van der Werf is tweedejaars student filosofie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *