Breng de cultuurfilosofie terug! Een pleidooi voor een veelzijdige faculteit

De Faculteit Wijsbegeerte is een zelfstandige, bloeiende en veelzijdige faculteit”, zo valt op de site van de RuG te lezen. Het is echter de vraag of het tegenwoordig niet schort aan die veelzijdigheid. Hele generaties studenten leren sinds het verdwijnen van enkele vakken niet tot nauwelijks meer over Marx, Adorno, Rorty, Foucault, Lyotard en Habermas. Toch zijn dit ontegenzeggelijk allemaal denkers die deel uitmaken van de kern van het wijsgerig canon van de afgelopen eeuw. Een bachelorprogramma, zeker op één der laatste faculteiten filosofie, moet veelzijdig en gebalanceerd zijn. Daarom hier een pleidooi: meer continentale (politieke) filosofie in het bacheloronderwijs in Groningen.

Door Remco van der Meer

Het onderscheid tussen de meer literaire ‘continentale’ traditie en de precieze ‘analytische’, met haar exact-wetenschappelijke pretenties, is sinds het einde van de vorige eeuw steeds moeilijker te maken. Toch kan de werkwijze van de meeste hedendaagse academici nog wel enigszins in één van beide categorieën worden ingedeeld. De Groninger faculteit heeft een zeer goede naam als het gaat om het analytische onderzoek en vakkenaanbod. De belangrijke vraag is echter of de continentale traditie, en dan met name het sociaal-filosofisch georiënteerde deel, niet is gaan lijden onder die specialisatie. De faculteit wijsbegeerte in Gronigen lijkt in de ban geraakt van de analytische academische mode. Studenten en bestuur zouden hand in hand moeten strijden tegen deze bedreiging.

De nadruk op de Groninger faculteit lag altijd al op de analytische traditie, en dat is beslist niet erg. Maar sinds het verdwijnen van de vakken cultuurfilosofie, met de overgang naar het nieuwe bachelor programma, met haar 7,5-puntsvakken, is de continentale zijde van de wijsgerige medaille wel erg in het nauw gekomen. In de eerste plaats lag dat aan het vertrek van de laatste hoogleraar politieke en sociale filosofie die de faculteit had, Prof. dr. René Boomkens. In de bachelor en de master zijn nog één of twee dergelijke vakken, zoals het prachtige critical theory, maar nu docenten in het derde jaar moeten uitgaan van een enorm gebrek aan kennis onder studenten kan het niveau niet enorm hoog liggen (dat is natuurlijk ook omdat de faculteit minorstudenten toelaat bij de derdejaarsvakken, maar dat is een ander verhaal). Sinds de afwezigheid van zo’n hoogleraar als Boomkens trekt faculteit weinig tot geen continentale sociaal-politiek gerichte PhD’ers aan. De aanwezigheid van een hoogleraar die dergelijke onderzoekers begeleid is daarvoor namelijk een belangrijk lokmiddel, maar die ontbreekt nu. Minder onderzoekers in een richting betekent weer minder onderwijs. Continentale politieke filosofie mist dus, maar ook de geschiedenis vakgroep, hoe trots we ook op onze vroeg-moderne expertise kunnen zijn, kent een gebrek: er zijn bijna geen aanstellingen in continentale filosofie.

Gelukkig hoeft de faculteit zich niet bij zo’n stand van zaken neer te leggen. Elk jaar neemt ze nieuwe onderzoekers aan en op die manier is het continentaal-politieke gat gemakkelijk op te vangen. Maar dat is niet wat gebeurt: keer op keer kiest de faculteit voor logici, philosophers of physics en andere analytisch georiënteerde academici. Dat zijn beslist interessante vakgebieden, maar de balans is wel zoek. Zelfs wanneer er wel nieuwe aanwinsten voor de vakgroep ethiek, sociale en politieke filosofie komt zijn dat in de regel denkers in de analytische ethische traditie, die zich richten op angelsaksische journals waar je met Lukács of Sartre niet aan hoeft te komen zetten.

De focus op de analytische traditie
De afgelopen tijd is er veel kritiek in het nieuws geweest over het beleid van de Nederlandse universiteiten. Onder de noemer van ‘rendementsdenken’ wordt universiteiten verweten dat ze zich meer gedragen als een geldbelust bedrijf dan een instituut van onderwijs en verlichting. Dat zou terug te zien zijn in de bedrijfsmatige beslissingen die het college van bestuur neemt, en de richtlijnen die worden opgelegd vanuit het ministerie. Helaas is ook het bestuur van onze faculteit gedwongen om te voldoen aan de rendementseisen van het CvB. Een specialisatie is één van de manieren waarop de afdeling van een universiteit kan zorgen dat er geld in het laatje komt. Zo wordt een faculteit een kweekvijver van academici van een bepaalde richting die elkaar kunnen assisteren.

Het speelt ook mee dat analytisch onderzoek momenteel in de mode is in de academische wijsbegeerte. Er zijn nu eenmaal meer engelstalige journals, en in angelsaksische landen blieft men geen fenomenologie, geen verstehen en beslist geen neomarxisme. Onder druk van het onredelijke beleid vanuit het ministerie en het College worden er onderzoekers in die richting aangetrokken: meer publicatiekansen betekent meer geld. Het is leuk en aardig dat onze faculteit een goede naam heeft op analytische gebieden, maar zo’n specialisatie moet niet ten koste gaan van andere kernonderwerpen. Die nadruk ontstaat niet per se door kwade wil, maar moet op een gegeven moment wel in de gaten worden gehouden. Op het moment zijn er slechts 20 tot 25 ECTS continentale (sociale) filosofie, afhankelijk van hoe coulant je het vakkenpakket bekijkt. Dat is beslist niet genoeg om een bachelorstudent een goed overzicht te geven, zoals in de praktijk blijkt. Voorheen waren het toch 30 tot 40 ECTS. Ter vergelijking: het analytische aanbod is alleen in de eerste twee jaar al 45 ECTS, en dan reken ik de ethiekvakken nog niet eens mee. Hoewel ethiek sociale filosofie is, behandelen onze docenten vrijwel uitsluitend de recente Angelsaksische traditie. De rest van de ECTS worden geconstitueerd door geschiedenisvakken. Ook daar moet men zich niet laten misleiden: ook bij geschiedenisvakken gaat het voornamelijk over kentheorie.

Analytische pretenties
Onder analytisch georiënteerde filosofiestudenten heerst nog wel eens het misverstand dat continentale filosofie maar vaag en onsamenhangend is. In plaats van gewoon duidelijk en logisch uiteen te zetten wat ze bedoelen schrijven continentale denkers hoogstens een soort slechte poëzie, maar geen filosofie. “Sein und Zeit? Oh, dat zwamverhaal is al eens ‘logisch uiteengezet’ door Rudolf Carnap. Bleef niets van over!” Juist dat keurslijf van een doorgeschoten wetenschappelijke pretentie zorgt ervoor dat sommige denkers de mist in gaan. Jacques Derrida – volgens sommigen een antifilosoof – is wat dat betreft altijd een doorn in de zijde geweest van het analytische denken. De poëtische intuïties van de continentalen is volgens hem geen vervorming van het ‘serieuze’ en ‘zuivere’ analytische denken, maar juist de logocentristische analytische werkwijze is een verminking. Het is goed mogelijk dat de bezigheden van wetenschapsfilosofen en logici beter uit te leggen is aan de bestuurders zoals het Groninger CvB. Dergelijk analytisch werk sluit immers direct aan op bètawetenschappelijke problemen, en daarmee is het altijd makkelijk scoren. Maar wat makkelijk uit te leggen is aan leken is niet per se het meest belangrijke wijsgerige werk. Een beetje academische arrogantie is soms best op zijn plaats.

Jürgen Habermas, niet ontoevallig continentaal geaard, beschrijft al decennialang hoe ideologisch geladen (politieke) problemen geïnterpreteerd worden als technische. Wanneer het Europese eenwordingsproject spaak loopt komen de economen uitrekenen hoe Griekenland precies gestraft moet worden. Moraal en ideologie spelen geen enkele rol meer: alleen de cijfers van de begroting. Wanneer de Nederlandse universiteiten moeten bezuinigen worden ingewikkelde ideologische kwesties gereduceerd tot een zaak van efficiëntie en financiële winstmaximalisatie. Voor wie op de discussie-avond ‘Nacht van de universiteit’ was, nota bene deels georganiseerd door de faculteit wijsbegeerte, zal dit niet als nieuws klinken.

Het belang van continentale en sociale filosofie
Hoe interessant studenten de filosofie ook vonden in hun schooltijd, ze moeten de kans krijgen om met alles kennis te maken voordat ze kunnen beslissen waar hun passie ligt. Voor sommigen, zoals ondergetekende, zal gelden dat ze alles interessant vinden. Maar als studenten sommige belangrijke filosofen niet eens leren kennen, dan hebben ze geen eerlijke kans gekregen om zich filosofisch te ontwikkelen. Net zoals het aanbod in bijvoorbeeld wetenschapsfilosofie, vroegmoderne geschiedenis of philosophy of mind voldoende moet zijn, moet een faculteit ook genoeg continentale en politieke filosofie aanbieden.

Los van het feit dat studenten überhaupt de kans moeten krijgen om zich te ontwikkelen is simpelweg te merken dat er veel studenten zijn met een interesse in de continentale traditie. Men hoeft maar een blik te werpen op de scriptie-onderwerpen van de afgelopen jaren, waar ongeveer de helft een continentaal onderwerp behandelt. De weinige academici die werkzaam zijn in de continentale filosofie worden daarom overspoeld met scriptiestudenten (Die werkdruk wordt nog groter doordat minorstudenten hun minor mogen uitbreiden met enkele vakken en een scriptie, ten nadele van echte bachelorstudenten, maar dat is een klaagzang voor een andere keer). Als de enige blootstelling aan continentaal gedachtegoed straks een vak als Critical Theory is in het derde jaar is het al veel te laat voor een student om zich nog in een scriptie te kunnen specialiseren.

Een belangrijker argument is misschien nog wel dat wat waarschijnlijk straks de laatste faculteit wijsbegeerte is een speciale verantwoordelijkheid heeft. Decaan Lodi Nauta heeft de faculteit wel eens vergeleken met dat ‘laatste Gallische dorpje’ dat nog niet is opgeslokt in een grotere faculteit door bezuinigingen. Daarmee heeft de Decaan een mooie analogie te pakken. We zouden zeker weerstand moeten bieden tegen de absurde trend om universiteiten te beroordelen op hun winstgevendheid en efficiëntie. Een veelzijdig vakkenaanbod is daar een cruciaal onderdeel van, ook als dat betekent dat we niet-winstgevende onderzoekers aannemen.

Maatschappelijke relevantie
De pretentie van een wetenschappelijke methode maakt het analytische onderzoek misschien gemakkelijk om uit leggen aan de nationale en internationale subsidie-organen, maar het is juist de politieke filosofie die we in dit ideologisch uitgedroogde tijdperk nodig hebben. Je hoeft maar een blik te werpen op de popfilosofieboeken in de boekhandel, of de gemiddelde redenering achter politieke standpunten van parlementariërs om te zien dat het in het Nederlandse wijsgerige klimaat allesbehalve rijk is. De vraag is of dat de schuld is van die laagdrempelige popfilosofen zelf. Dr. Thijs Lijster schreef in een Qualia al eens dat het eerder de schuld is van de academische filosofie: deze is steeds specialistischer geworden en losgezongen van de rest van de maatschappij. Ook dat is te wijten aan de economische ‘bedrijfsvoering’ van de 21e-eeuwse universiteit. Faculteiten en afdelingen moeten quota halen en onderzoekers gaan gebukt onder een enorme publicatiedruk: er moet onderzoeksgeld worden verdiend, en alle andere zaken worden daarvoor opgeofferd. Die hedendaagse praktijk staat in fel contrast met die van de 20e eeuw, waarin het nog voorkwam dat academici als Adorno en Foucault zich uitgebreid bemoeiden met het publieke debat. Ze discussiëerden mee en schreven intelligente doch toegankelijke stukken in kwaliteitskranten, werden op televisie geinterviewd en gaven drukbezochte lezingen.

Dat de academie steeds meer is gaan draaien om specialistische publicaties is een breedgedeeld probleem, en niets minder dan een intellectuele verarming. Als laatste faculteit filosofie moet Groningen zich daartegen durven verzetten. Kentheoretische wetenschapsfilosofische vraagstukken zijn interessant en zeker van belang, maar de Griekenland-crisis, de ideologische kaalheid van de hedendaagse politiek, of de uitbuiting van ontwikkelingslanden zijn daar niet zinvol mee te bespreken. In plaats van ons in allerlei bochten te wringen om uit te leggen waarom onze academische discipline maatschappelijk relevant is zou de faculteit simpelweg meer maatschappelijk relevante vakken moeten aanbieden.

Ironisch genoeg heeft onze faculteit sinds dit academisch jaar een heuse popfilosofiemaster: ‘Filosofie en Maatschappij’. Dat is niet per definitie een slecht initiatief: de academische wijsbegeerte is immers niet voor iedereen weggegelegd. De vraag is of filosofiestudenten uit Groningen wel iets zinvols te melden hebben als ze van de continentale zijde van politieke filosofie geen kaas gegeten hebben. Hopelijk kunnen ze in elk geval in formele logica uiteenzetten waarom ze hun bachelor aan een andere universiteit hadden moeten halen.

Facebooktwittertumblrmail

Remco is onderzoeksmasterstudent en voert graag de discussie over het 'waarom?' van de universiteit.

2 gedachten over “Breng de cultuurfilosofie terug! Een pleidooi voor een veelzijdige faculteit

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *