Objectieve seksualiteit Wanneer sigaren echt sigaren zijn

“Pap. Mam. Ik moet jullie iets vertellen.” Er is nu geen weg meer terug, maar je vindt de juiste woorden niet en het duurt te lang. “Schat, je mag ons alles vertellen.” Je hoofd ruist en alles lijkt ver weg. “Ik ben anders,” hoor je jezelf ineens zeggen. Je moeder pakt je handen en oppert voorzichtig: “Wil je ons misschien vertellen dat je homo bent?” Je zucht. “Nee, mam, dat is het niet. Ik ben verliefd op de Eiffeltoren.”

Door Jochem Dijkstra

In het algemeen wordt het als problematisch bestempeld wanneer de partner in een seksuele relatie als object wordt afgedaan. Er bestaan echter ook mensen voor wie geldt dat hun partner een object is. Erika Eiffel bijvoorbeeld kwam niet toevalligerwijs aan haar achternaam; in 2007 trouwde zij namelijk met de Eiffeltoren. Mensen als Erika voelen zich seksueel aangetrokken tot objecten en noemen zichzelf daarom objectumseksueel. Deze toch wel exotische seksuele voorkeur staat erg ver af van de manier waarop de meeste mensen seksualiteit ervaren en is juist om die reden interessant voor kennis over seksualiteit in het algemeen. Want ondanks de grote verschillen worden homo-, hetero- of objectumseksualiteit allemaal als seksualiteit ervaren. Wat is dan het gemeenschappelijke vlak dat ze delen waardoor ze toch allemaal onder het kopje ‘seksualiteit’ kunnen vallen?

Objectumseksualiteit is opmerkelijk om twee redenen. Allereerst onttrekt deze geaardheid zich aan de gangbare seksuele menukaart; de objecten hebben niet de eigenschappen waar we om evolutionaire redenen ‘wild’ van worden. Niet de juiste vormen, geen feromonen of intrigerende gedragingen. Ten tweede zal het bekend zijn dat sommige mensen seks hebben met objecten; denk bijvoorbeeld aan een vibrator of een opblaaspop. Door de bank genomen is hier echter geen sprake van een gevoelsrelatie, maar objectumseksuelen ervaren wel degelijk een mentale connectie met hun ‘partner’. Kortom, kennelijk spelen menselijke lichamelijke kenmerken niet een noodzakelijke rol bij seksualiteit en is een emotionele connectie niet per se ‘objectief’ gegeven.

Magneten, seksbommen en andere lekkere dingen

In Fenomenologie van de waarneming wijdt Merleau-Ponty een hoofdstuk aan seksualiteit. In dit hoofdstuk deelt hij de uitkomst van zijn experimenten op proefpersoon Schneider, die een verwonding aan zijn achterhoofd heeft opgelopen. Sindsdien zijn gezichten voor Schneider niet meer sympathiek of onsympathiek en heeft hij moeite met het onderhouden van sociale contacten. Bovendien raakt Schneider niet langer opgewonden van “obscene beelden, gesprekken over seksuele onderwerpen en de aanblik van een lichaam”. Hierdoor verloopt een vrijpartij moeizaam en, zo onderstreept Merleau-Ponty, niet op de automatische piloot. Schneider lijdt aan een verlies van alle ‘bewegingsinitiatieven’; hij weet simpelweg niet meer wat hij met zijn lichaam aan moet in een seksuele context. Hoe Merleau-Ponty aan deze wel erg specifieke informatie is gekomen vertelt het verhaal niet. Wel wordt duidelijk wat volgens Merleau-Ponty de moraal ervan is: dat seksualiteit en het vermogen om sociaal te handelen gezamenlijk beschadigd raken na een enkele verwonding kan alleen maar betekenen dat seksualiteit geen aparte module is. Seksuele beleving is geen autonome cyclus, maar een algemene vorm van intentionaliteit. Een seksuele gerichtheid zit in onze gerichtheid op de wereld vervat en kan daar niet los van worden gedacht. En zoals je uit kunt leggen dat je persoonlijke geschiedenis bepaalt hoe je de wereld beleeft, zo geldt dat voor seksualiteit ook. Bij Schneider maakt seksualiteit geen deel meer uit van de ‘bril’ waardoor hij naar de wereld kijkt, met als gevolg dat zijn wereld ontdaan is van seksuele betekenis.

Een denker die al voor Merleau-Ponty wees op de hoe seksualiteit geen aparte module is, maar verweven is met het leven, was Sigmund Freud. Zijn psychoanalyse legt nadruk op de seksuele onderbouw van het menselijke bestaan en blaast dit gegeven op tot het punt waarop de seksualiteit de gehele existentie opslokt. Voor Merleau-Ponty gaat dit te ver: seksualiteit is verweven met onze dagelijkse belevingen, niet een overkoepelend gegeven. Desalniettemin blijven andere interessante bevindingen van Freud overeind staan. In de documentaire Married To The Eiffeltower blijkt Erika al relaties hebben gehad met een zwaard, een boog, de Golden Gate Bridge en de Berlijnse Muur. Is het toeval dat Erika’s vlammen allemaal fallusvormig zijn? Freud stelt in zijn Droompsychologie dat objecten zoals sigaren, parasols, messen en boomstammen in dromen penissen symboliseren omdat zij volgens hem op erecties lijken. In deze zelfde documentaire vertelt Amy de kijker over haar relatie met een kermisattractie, draaibank 1001 Nacht. Ze zegt: “When I make love to him, […] when I start climaxing…  I just keep saying over and over again, just as I start to go over the edge, I tell him: ‘I want your fluids, I want your fluids, I want your fluids…’” Psychoanalyticus zijn was nog nooit zo gemakkelijk. Maar ook de derde vrouw waarover de documentaire verhaalt, Eija-Riitta Eklöf-Berliner-Mauer, lijkt met haar liefde voor een guillotine en de Berlijnse Muur een uitgesproken voorkeur voor fallusvormige objecten te hebben. Mocht Freud dus nog een schoolvoorbeeld nodig hebben om de relatie tussen seksualiteit en fallusvormige objecten hard te maken, dan lijkt hij bij Erika, Amy en Eija-Riitta aan het juiste adres te zijn. Zonder meer zijn zij alle drie objectumseksueel, maar lijken zij binnen die seksuele geaardheid ook nog eens hetero te zijn. In combinatie met de bevindingen van Merleau-Ponty lijken de dames in feite een prima functionerende seksualiteit te hebben. De seksuele intentie is niet beschadigd, zoals bij Schneider, en hun seksuele voorkeur gaat uit naar mannelijke en dus menselijke kenmerken.

Masturbatie, liefde en andere bevredigingsvormen

Het is mogelijk om objecten zoals een banaan of een appeltaart te gebruiken om te masturberen. Objectumsekseksuelen zullen echter niet snel spreken van masturbatie wanneer zij objecten gebruiken voor hun lichamelijke bevrediging. Zij stellen dat ze ‘seks’ hebben met objecten omdat hun seksuele omgang met objecten niet verschilt van die tussen twee mensen. De reden hiervoor is dat zij het object in kwestie ervaren als een individu. Wanneer we iets als een individu ervaren, dan wil dat volgens Merleau-Ponty niet zeggen dat wat we werkelijk ervaren een bepaald soort wederkerigheid is. Dit kan het beste begrepen worden door in te zien dat het zelf en het niet-zelf elkaar veronderstellen. Als ik als ‘zelf’ aan het kijken ben, dan impliceert dit voor mij automatisch dat ik bekeken kan worden. Iemand als een ‘ander’ ervaren lijkt dus te veronderstellen dat je open voor elkaar staat om ervaren te worden. In hun gerichtheid op de wereld hebben objectumseksuelen net als alle andere mensen een seksuele drift die gericht is op de ‘ander’. Objectumseksuelen ervaren dat hun relaties even wederkerig zijn als relaties tussen mensen en hebben dan ook daadwerkelijk het gevoel dat de objecten ook van hen houden. Je kunt stellen dat deze liefde natuurlijk niet echt is en wellicht slechts een gedachtespinsel is dat voortkomt uit de wens van beantwoorde liefde. Maar aan de hand van een voorbeeld van Erika blijkt dat zelfs op onbewust niveau de band met een object niet minder echt is dan een relatie met een persoon. Erika heeft namelijk een lange relatie met haar handboog Lance achter de rug. Met die boog is zij Olympisch kampioene geworden, maar nu de liefde over is lukt het haar niet meer haar oude niveau te evenaren. Zoals een romanticus kan verklaren dat zijn geliefde hem beter maakt dan hij is, was dat voor Erika en haar boog ook waar. De liefde tussen een object en een persoon is voor een objectumseksueel zo echt als liefde kan zijn.

Het is goed mogelijk dat hang naar liefde de kern vormt van het animisme dat objectumseksuelen ervaren. Zowel van Erika, Amy als Eija-Riitta wordt gedurende de documentaire duidelijk dat zij in hun jeugd sociale trauma’s hebben opgelopen die hen beletten ‘normale’ vertrouwensrelaties aan te gaan. Relaties met mensen wilden nooit slagen of ze hebben er nooit behoefte aan gehad. Hun seksualiteit is nog altijd deel van de bril waardoor zij de wereld bezien, maar waar kan hun blik op gericht worden als ze niet in staat zijn van mensen te houden? Vanuit freudiaans oogpunt zou je goed kunnen verdedigen dat uit hun voorkeuren blijkt dat ze in feite tot mannen aangetrokken zijn en dat in die zin de kern van de gangbare menselijke seksualiteit in hen bewaard is gebleven. De seksualiteit zelf kan echter niet langer op een geslaagde manier betekenis vinden in mensen. Volgens de moeder van Amy zijn objecten juist aantrekkelijk voor haar dochter omdat ze haar niet van repliek kunnen dienen. Tegelijkertijd herkennen de drie objectumseksuelen wel op onbewust niveau mannelijke verschijningen in de objecten. Zo bekeken lijkt objectumseksualiteit een logische uitkomst van de omstandigheden. De seksuele drift heeft simpelweg een andere uitgang gevonden.

Waanzin, sekspraat en lijdende voorwerpen

Wanneer je het vandaag de dag in je hoofd haalt homoseksualiteit een absurditeit te noemen moet je niet gek opkijken als je op de vingers wordt getikt omdat een dergelijke uitlating politiek incorrect gevonden wordt. Maar objectumseksualiteit een absurditeit noemen, kom je daar wel mee weg? Het voor de hand liggende antwoord lijkt ‘ja’, maar dit ‘ja’ zal vermoedelijk gestoeld zijn op het feit dat je het niet vaak ziet, zoals een Eskimo in de Scapino. Maar daarmee is nog niet iets inherent mis met Eskimo’s. Als we Foucaults lijn van redeneren in Geschiedenis van de waanzin volgen, dan zou objectumseksualiteit een ziekte zijn in de zin dat de menselijke geschiedenis ertoe gekomen is om op basis van de rede normaal van abnormaal te scheiden en de mentale ziekte te construeren. Als we objectumseksualiteit willen bestempelen als een mentale aandoening, dan zouden we dat doen op basis van een machtvertoog dat voorschrijft hoe een gezonde seksuele geaardheid eruitziet. Merleau-Ponty biedt echter een mogelijkheid om toch tegemoet te kunnen komen aan de intuïtie dat er iets vreemds aan de hand is bij objectumseksuelen: namelijk dat zij een ‘ander’ herkennen in iets waarin iemand die niet op objecten valt overduidelijk geen individu herkent. De reden hiervoor is dat de waarneming voortkomt uit een dialoog tussen de mens en de wereld. Dat betekent dat de ander als zodanig wordt herkend omdat zijn verschijning zich voordoet in deze dialoog. Dat de Eiffeltoren voor vrijwel niemand als persoon verschijnt heeft er kortweg mee te maken dat er geen reden is om in de omgang met de wereld de Eiffeltoren als persoon te begrijpen. De Eiffeltoren trapt geen balletje met je, schrijft je geen liefdesbrieven en groet je niet in het voorbijgaan. De motivatie om de Eiffeltoren toch als een persoon te ervaren komt dus niet voort uit de dialoog met de wereld. Als seksualiteit normaal gesproken iets is wat wordt beleefd als een dialoog met wereldlijke entiteiten, dan is een objectumseksueel op seksueel vlak in gesprek met zichzelf. De ervaring van een kermisattractie die je liefde beantwoordt grijpt niet werkelijk terug op iets buiten het hoofd.

Wanneer we seksualiteit begrijpen als een component in de persoonlijke gerichtheid op de wereld, dan lijkt objectumseksualiteit niet minder menselijk dan een meer gangbare geaardheid. Deze seksualiteit wordt namelijk – ondanks dat het hier gaat om objecten – evengoed ervaren als een gerichtheid op individuen. En aan de hand van Freud kan zelfs worden beargumenteerd dat objectumseksuelen zelfs geslachtelijke kenmerken in objecten herkennen. Het voornaamste verschil is dan ook dat het animisme breekt met de consensus dat objecten geen personen zijn. Aan de andere kant, objectumseksualiteit wordt alleen door derden als afwijkend ervaren. Voor Erika, Amy en Eija-Riitta is hun seksuele beleving net zo oprecht en puur als die voor ieder ander. Het stigmatiseren van objectumseksualiteit als abnormaal lijkt in die zin op het afdoen van homoseksualiteit als absurd: voor een homoseksueel is zijn hang naar liefde net zo echt als die van een heteroseksueel, maar het was de buitenwereld die er een probleem van maakte omdat de geaardheid niet voldeed aan het ideaalbeeld dat men had. Pedofilie en necrofilie voldoen ook niet aan dat ideaalbeeld, maar worden wellicht voornamelijk als onwenselijk gezien omdat, wanneer zij tot seksuele handelingen leiden, de ander op een bepaalde manier geschaad wordt. Objectumseksualiteit heeft dat probleem niet en is wat dat betreft misschien wel onschuldiger dan hetero- of homoseksualiteit. Een buitenstaander zou toch moeten concluderen dat een objectumseksueel in ieder geval niemand kan schaden. En dat terwijl de objectumseksueel er zeker van is dat zijn liefde wederzijds is. In dat opzicht lijkt het wel de perfecte geaardheid.

Facebooktwittertumblrmail

Jochem maakt sinds 2013 deel uit van de redactie, en was de afgelopen twee jaar tevens eindredacteur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *