Martin Buber

Martin Buber

Door dr. Marc Pauly

De wereld is voor de mens tweevoudig naar zijn tweevoudige houding.

De houding van de mens is tweevoudig naar het tweevoud van de grondwoorden die hij kan spreken.

De grondwoorden zijn geen afzonderlijke woorden, maar woordparen.

Het ene grondwoord is het woordpaar Ik-Jij.

Het andere grondwoord is het woordpaar Ik-Het

(…)

Ook het Ik van de mens is dus tweevoudig.

Want het Ik van het grondwoord Ik-Jij is een ander Ik dan dat van het grondwoord Ik-Het.

Ik en jij, p.7

Dit is het begin van het meest bekende boek van Martin Buber, Ich und Du (vroeger vertaald als “Ik en gij”, meer recentelijk als “Ik en jij”), oorspronkelijk verschenen in 1923. Zoals wel vaker gebeurt met klassiekers in de filosofie, is ook dit boek moeilijk te plaatsen in een literair genre. Het begin toont verwantschap met de propositionele stijl van Wittgenstein in zijn Tractatus, inhoudelijk is het werk een mystiek angehauchte filosofische ontologie en qua vorm een mengsel van aforismen, filosofische redeneringen en beschrijvingen van eigen ervaringen. Deze tamelijk vrije stijl kenmerkt Buber als vertegenwoordiger van het existentialisme, ook al heeft hij niet van deze stempel gehouden. Met Nietzsche deelt hij het aforistische en de poëtische schrijfstijl, met Kierkegaard de sterke religiositeit en belangstelling voor Bijbelse verhalen en met Sartre de belangstelling voor het socialisme. Maar wat Buber uniek maakt in deze club is dat Buber de relatie centraal stelt in zijn filosofie: de relatie is het fundament van zijn ontologie.

De geciteerde opening van Ich und Du geeft al de essentie van Bubers ontologie weer. De mens heeft twee verschillende houdingen tegenover de wereld: de Ik-Jij houding en de Ik-Het houding. Het Ik bestaat niet op zichzelf, maar alleen als onderdeel van één van deze twee woordparen; in één van deze twee houdingen tegenover de wereld. In de Ik-Het houding objectiveert men de wereld om zich heen; mensen maar ook de natuur. Dit is de houding van de wetenschap die classificeert en onderzoekt. Het is een houding die individualiseert, de wereld scheidt in losse objecten, waarbij de ervaring van het individu centraal staat. Terwijl het Ik-Het ervaringen heeft, staat het Ik-Jij in relatie. Terwijl de tijd van het Ik-Het het objectieve verleden is, gebeurt Ik-Jij in de presentie van het nu waarin relatie ontstaat. Deze relatie kan echter niet gemaakt worden, zij is noch louter passief noch actief en zij ontstaat tussen mensen wanneer “elk der deelnemers de ander in zijn reële bestaan, zoals ze daar samen zijn, wezenlijk nadert en zich hem in volle intentie toewendt, zodat tussen hen een levende wederkerigheid wordt gesticht” (Dialogisch leven, p. 96). Zonder Ik-Het kun je volgens Buber niet leven, maar zonder Ik-Jij ben je niet echt mens.

Voor wie dit allemaal te vaag en mystiek klinkt: verschillende filosofen hebben geprobeerd deze ontologie verder uit te werken. Tegelijkertijd lopen we hier tegen de inherente beperkingen van het praten over de Ik-Jij relatie aan, want op het moment dat je precies denkt te kunnen beschrijven wat deze relatie of houding inhoudt, ben je weer in de Ik-Het houding beland. In die zin heeft Buber ook van zichzelf gezegd dat hij geen nieuwe doctrine heeft die hij verkondigt: “I have no teaching, but I carry on a conversation.” (The philosophy of Martin Buber, p. 693). Op dezelfde manier dacht hij dat je niet over God maar wel tot God kunt spreken. Tegelijkertijd was Buber juist erg kritisch over een bepaald soort mystiek, zowel binnen het christendom alsook in het boeddhisme. Het idee dat de meditatieve weg naar binnen je inzichten in de ultieme realiteit zou geven, wees hij af. Hij zag hier de waan van de puur op zichzelf gefocuste menselijke geest, gebaseerd op het idee dat alles in de mens zelf gebeurt. Uiteindelijk ego-filosofie die juist in tegenspraak is met het fundament van Bubers ontologie, relationaliteit. 

Bijzonder aan Bubers werk is dat zijn relationele ontologie een duidelijke filosofische eenheid weet te creëren tussen zeer uiteenlopende onderwerpen. Buber schreef bijvoorbeeld over religie, opvoeding en politiek, waarbij in al deze domeinen zijn opvattingen te herleiden zijn tot de relationele basisontologie. In het religieuze domein ziet hij het geloof als problematisch op het moment dat het een levendige relatie met God (Ik-Jij) vervangt door dogma’s (Ik-Het). In het verlengde hiervan ziet hij de tien geboden niet als abstracte tijdloze wetten, maar als concrete woorden die door God tot het volk Israël werden gesproken. Hij kijkt om die reden met een kritische blik naar de reducering van religie via moraal tot wet, omdat hierdoor juist het gesproken relationele karakter van de tien geboden verloren gaat.

In het politieke domein is Buber actief geweest in de zionistische beweging, die een Joodse staat heeft willen creëren. Wat dit precies zou moeten betekenen en hoe deze gerealiseerd zou moeten worden, heeft met name aan het begin van deze beweging ter discussie gestaan. In tegenstelling tot een nationalistische invulling heeft Buber gepleit voor een vorm van zionisme die een diepere gemeenschap wil creëren, waarvoor juist ook de dialoog met de reeds aanwezige Arabieren in Palestina belangrijk was. Meer algemeen keert hij zich tegen de identificering van het sociale met het politieke principe. Het sociale principe gaat over verbinding en gemeenschap, en alhoewel dit nooit los staat van het politieke principe (macht), is het toch fout om het sociale in eerste instantie vanuit het politieke te analyseren. Met andere woorden: the personal is political, maar het persoonlijke is niet alleen en ook niet in eerste instantie het politieke.

Is Buber een vergeten filosoof? Aan de ene kant niet: er is een artikel over hem in de Stanford Encyclopedia of Philosophy en in de Library of Living Philosophers-reeks staat hij tussen Carnap, Lewis en Popper. Aan de andere kant: ik ontmoet nauwelijks studenten die deze naam al zijn tegengekomen in hun studie op onze faculteit. Je zou kunnen zeggen dat Buber is overvleugeld door Emmanuel Levinas, zijn erfgenaam in de relationele filosofie. Ten slotte werkt ook de religieuze voorkeur van onze tijd niet in Bubers voordeel: de relationele “bid-religies” zoals het christendom en het jodendom lijken niet meer van deze tijd, in tegenstelling tot meer individualistische “meditatie-religies”, zoals het boeddhisme. Maar er zijn ook tekens dat mensen weer meer op zoek zijn naar relatie, verbinding en gemeenschap. En hierbij zou het in onze tijd van toenemende politieke polarisatie ook kunnen helpen om Bubers advies op te volgen en het sociale niet tot het politieke te reduceren. Ik durf het niet te voorspellen, maar mijn hoop is wel: Buber wordt weer actueel! 

Verder lezen

Martin Buber. (1998). Ik en jij. Utrecht: Bijleveld.

Marin Buber. (2007). Dialogisch leven. Utrecht: Bijleveld. 

P.A. Schilpp & M. Friedman (red.). (1967). The philosophy of Martin Buber. Chicago: Open Court Publishing Company. 

Facebooktwittertumblrmail
Avatar

De Qualia

Dit artikel is geschreven door een gastauteur. Schrijf ook voor de Qualia! Kopij kan gestuurd worden naar de redactie via fil-qualia@rug.nl.

Related Posts

Een lijn in het zand voor link links.

Een lijn in het zand voor link links.

Nicolás Gómez Dávila

Nicolás Gómez Dávila

Emil Cioran

Emil Cioran

Frantz Fanon

Frantz Fanon

No Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *