Laat mij toch angstig blijven Over de angst voor het burgerlijk leven

Als ik aan mijn toekomst denk, word ik een beetje bang. Ik word bang voor het burgerlijke leven dat me te wachten staat.  Ik zie hoe de meeste mensen van mijn toekomstige leeftijd leven. Vijfdaagse werkweek, twee keer per jaar op vakantie, een hoekhuis met Ikeakeuken en een bakfiets. Als ik dat vergelijk met het studentenleven schieten er gelijk allemaal mogelijke plannen voor studievertraging door mijn hoofd. Het gestructureerde leven dat blijkbaar door de meeste mensen wordt geaccepteerd, roept bij mij enkel weerstand op. Een burgerlijk, saai leven? Ain’t gonna happen to me.

Door Tosca Boot

Als student hebben we zo veel voordelen die wegvallen op het moment dat we gaan werken. Een student is vrij en onafhankelijk. Een dagje college skippen heeft nu eenmaal minder consequenties dan het wegblijven bij je kantoorbaan. Daarbij kunnen studenten hun lol op aan sport- gezelligheids- toneel- en studieverenigingen. Ze vieren feest en maken vrienden. Zodra jij 40 uur per week werkt en om zes uur ’s avonds thuis komt na een uur in de file te hebben gestaan, is het enige waar je aan kan denken een bord eten en je bed.
Het gevoel van weerstand tegen datgene wat komen gaat, is iets waar ik naar mijn idee niet alleen in sta. Door Het Parool wordt het bestempeld als het ‘twintigersdilemma’. De krant schreef in december over een reeks lezingen die gehouden werden in De Rode Hoed in Amsterdam. De lezingen gaan over moeilijkheden waar veel twintigers tegenaan lopen, zo ook over de vraag hoe we ons leven moeten invullen na onze studie. De animo voor deze lezingen is enorm. De student is bezig met zijn toekomst en enkelen zullen er misschien, net als ik, een beetje bang voor zijn. Is de angst voor het burgerlijke leven te rechtvaardigen?

Om te onderzoeken of die angst te rechtvaardigen valt, moet ik antwoord geven op de vraag wat de reden van de angst is. De vraag waarom ik eigenlijk bang ben voor het burgerlijk leven blijkt veel dieper te gaan dan ik voorheen dacht. Het lezen van Camus en Sartre heeft mij dit laten inzien. De vraag is van existentiële aard. Hij gaat niet alleen over het invullen van mijn toekomst, hij gaat over zingeving. Aan de hand van Albert Camus zal ik uitleggen waar de angst voor het burgerlijke leven vandaan komt, en waarom hij te rechtvaardigen is.

Het burgerlijk leven

Wat valt er te verstaan onder een burgerlijk leven? Ik gebruik de term burgerlijk nogal negatief, wellicht onterecht want natuurlijk zijn er genoeg creatieve, zelfdenkende en belangrijke burgers. Het ‘burgerlijke’ dat ik bedoel en dat mij zo tegenstaat aan het burger zijn is de saaie, gestructureerde en opgelegde manier van leven. Dezelfde wegen bewandelen als elke andere burger, dezelfde inrichting hebben als al die andere mensen in jouw buurt. Je leeft zoals de meeste mensen dat doen, je kiest een opleiding waarna je de arbeidsmarkt op gaat en je werkt om geld te verdienen dat je vervolgens uitgeeft aan dingen waar iedereen blijkbaar zijn geld aan uitgeeft (hypotheek, verzekeringen, boodschappen bij de Jumbo, een auto, mooie kleren, de sportschool, etc.). Je werkt vier of vijf dagen per week, loopt af en toe tegen een burn-out aan en gaat twee keer per jaar op vakantie.

Albert Camus (1913– 1960), wiens theorieën ik in dit artikel veel zal gebruiken om antwoorden te vinden, schrijft in zijn boek De mythe van Sisyphus over de dagelijkse sleur. Hij beschrijft deze levenswijze niet letterlijk als ‘burgerlijk’, maar spreekt over een geplande, gestructureerde manier van leven:

opstaan, de tram, vier uur werken, eten, slapen en maandag dinsdag woensdag donderdag vrijdag en zaterdag, steeds in hetzelfde ritme – deze routine vult gemakkelijk het grootste deel van het leven… Zo draagt de tijd ons door de sleur van een rustig leven heen.”

De oorzaak van die angst

Camus schrijft over de mens die op zijn toekomst is gericht en een gepland leven leidt. Hij schrijft dus over die sleur, en over de bijkomende gevaren. Hij geeft een antwoord op de vraag waar de angst voor het burgerlijke leven vandaan komt. Deze passage kan je een indruk geven welke kant Camus op wil: “Voordat de mens het absurde ontmoet, leeft hij het dagelijks leven met een doel, met zorgen voor de toekomst. Hij schat zijn kansen, houdt rekening met een verre toekomst, met zijn pensioen of met het werk van zijn kinderen. In feite handelde hij alsof hij vrij was , ook als alle feiten met deze vrijheid in tegenspraak zijn.” Ook de volgende, laat goed zien waar Camus mee bezig is: “Er komt een dag, waarop de mens constateert en zegt dat hij dertig jaar is. Daarmee verklaart hij zich nog jeugdig. Maar tevens bepaalt hij zijn plaats ten aanzien van de tijd. Hij neemt er zijn plaats in. Hij is ondergeschikt aan de tijd, en met de afschuw die hem bevangt, herkent hij daarin zijn grootste vijand. Een toekomst wenst hij zich, een morgen, terwijl zijn gehele wezen zich daartegen zou moeten verzetten.”

Na het lezen van Camus valt er veel op z’n plek. Mijn angst voor burgerlijk leven zit volgens Camus hier in: het is een roep naar vrijheid, authenticiteit en zingeving. Volgens Camus komt er namelijk een dag dat wij ons realiseren dat we een gebrek hebben aan deze dingen. Een burgerlijk leven leiden, betekent dat je leeft met een constante angst voor de dood. Camus beargumenteert dat je door deze angst als het ware naar die dood toe gaat leven en hierin de vrijheid tot zingeving verliest. Dat is waar het twintigersdillema vandaan komt. Als ik kies voor een burgerlijk leven, hoe authentiek ben ik dan nog? En waar is dan mijn vrijheid om mijn leven zelf in te vullen? Camus zou deze twee vragen beantwoorden met een beangstigende ‘niet’ en ‘nergens’. We gebruiken onze tijd op een verkeerde manier, omdat we uit angst voor de dood, die dood willen vermijden. We structureren en plannen ons leven te veel. We denken in spaarrekeningen en toekomstplannen vrijheid te vinden, maar zullen juist gebondenheid ervaren. We zitten vast aan de vrijheid om onze uitgedachte doelen te verwezenlijken. De huisvader zal gebonden zijn aan zijn keuze voor het huisvaderschap evenals de ambtenaar, de volksleider en de ingenieur niet anders kunnen handelen dan naar hun keuze. Zo is eenieder die vooruit kijkt of plant een slaaf geworden van zijn vrijheid. De vraag die ik in dit artikel bespreek blijkt dus van existentiële aard. Om zin te kunnen geven aan ons bestaan, zullen we vrijheid moeten vinden. Vrijheid is datgene wat je bereikt als je het burgerlijk leven en de angst voor de dood van je af weet te schudden.

Is de angst te rechtvaardigen?

De angst voor het burgerlijke leven komt voort uit de angst onze vrijheid te verliezen. Wij zijn bang voor het absurde, zoals Camus het noemt, dat onze vrijheid weg zal nemen. Hoe erg is dat eigenlijk, je vrijheid verliezen? We hadden al gezien dat vrijheid noodzakelijk is om zin te geven aan je leven. Sartre geeft ook antwoord op de vraag naar het belang van vrijheid:  “Kiezen biedt de enige mogelijkheid tot een daadkrachtig en authentiek leven. Ik, en ik alleen, moet betekenis aan mijn leven geven. Laat ik dit na, dan ben ik aan mijzelf te kwader trouw.” Sartre benadrukt dus ook dat we onze vrijheid moeten gebruiken om te voorkomen dat we gaan leven naar de richtlijnen van een ander, om een speelbal te worden van je omgeving. Sterker nog, het is onze taak om betekenis aan het leven te geven. Als wij onze vrijheid verliezen, zullen we nalatig zijn aan de taak om zin te geven aan het leven.

En die vrijheid verliezen we, omdat we hem zoeken in zekerheid. Dus we leren een vak, gaan werken en settelen, kopen live-laugh-love tegeltjes en een bakfiets. De mens denkt oplossing te vinden in het vermijden van het onvermijdelijke, de dood, en zal dit moeten gaan inzien. We zitten in een systeem, waarin we geen betekenis meer kunnen geven aan ons leven, omdat het onze vrijheid wegneemt. Het lijkt er inderdaad op dat ik mijn angst voor het burgerlijk systeem, en dus voor het verliezen van mijn vrijheid kan rechtvaardigen.

Het is goed om stil te staan bij het feit dat ik Sartre hier enkel gebruik om te rechtvaardigen dat het erg is om vrijheid te verliezen. Hij beweert dat het erg is om niet je eigen keuzes te maken. Sartre zegt daarentegen niet dat mijn angst voor het burgerlijk leven te rechtvaardigen is. Wij zijn volgens Sartre immers vrij om te kiezen wat we willen, wij hebben de absolute controle over ons leven. Dit is in groot contrast met Camus, die ons aanspoort te accepteren dat we die controle juist niet hebben. Dat laatste zal nader worden uitgelegd.

Camus’ oplossing

Op een gegeven moment zal een mens weerstand gaan voelen tegen het leven dat hij altijd geleden heeft. Vragen als “waar doe ik dit eigenlijk allemaal voor?” zullen naar boven komen. Camus moedigt aan om deze weerstand serieus te nemen, om je te gaan verzetten tegen het burgerlijke leven dat je leidt. Dit ‘verzetten tegen morgen’, zoals Camus het benoemt, betekent dat je moet loslaten. Je moet accepteren dat je geen controle hebt over je leven. Camus vertelt ons dat we de sleur moeten doorbreken en niet moeten leven met constant onze aandacht op het morgen, op de toekomst en –wat hij uiteindelijk betoogt- op het ontwijken van de dood. Als de zekerheid breekt zal de absurditeit, die de mens zal moeten accepteren, over blijven. Volledige vrijheid ligt voor Camus in het acceperen van het absurde. Dit  aanvaarden zal uiteindelijk betekenen dat je de dood aanvaardt en uit de illusie stapt waardoor je zult begrijpen dat je vrijheid niet zult vinden in het ontwijken van de dood, maar juist in de acceptatie. “Het absurde geeft mij op dit punt opheldering: er is geen morgen. Dat is voortaan de grond van mijn diepe vrijheid.” Accepteren dat je geen controle over je leven (en nog sterker, over de dood) hebt, betekent dat je die controle ook kan loslaten en kan leven in vrijheid.

De angst voor de dood

De angst voor het burgerlijk leven kan als irrationeel gezien worden. Zolang ik de angst blijf houden, zal het saaie leven me niet overkomen. Zodra mijn angst verdwijnt, dan vind ik het blijkbaar prima om zo’n leven te leiden en is er dus ook niets mis. Vergelijk het met de angst voor de dood, die ook vaak als irrationeel wordt gezien. Op het moment dat je leeft, kan je bang zijn om dood te gaan, maar leef je nog dus is er niets aan de hand. En zodra je dood bent heb je er niets meer aan om voor de dood te vrezen. Toch zal Camus zeggen dat er onderscheid in zit.

De angst voor de dood is volgens hem inderdaad irrationeel. Bang zijn voor de dood kan er niet voor zorgen dat we niet dood gaan. Daarbij leidt de angst voor de dood ons juist tot een manier van leven waarin we vrijheid, authenticiteit en zingeving verliezen. En is leven zonder vrijheid, authenticiteit en zingeving ook niet een soort van dood zijn? Dat is waarom Camus zegt dat we moeten niet moeten vrezen maar moeten accepteren dat we dood gaan.

Het burgerlijk leven hoeven we niet te accepteren. Bang zijn voor een burgerlijk leven is dus ook niet irrationeel. De angst kan zorgen dat dat we dat burgerlijk leven vermijden. Door de angst staan we als het ware in een waakstand. Hierdoor kunnen we een manier van leven vinden waarin we de vrijheid hebben om het op onze manier in te vullen.

De angst voor het verdwijnen van angst

Ik ben bang voor het burgelijk leven, en ik weet nu dat die angst te rechtvaardigen is. Maar wat blijkt, mijn vrienden zijn het daar niet mee eens. “Tos, een saai leven leiden, dat heb je toch zelf in je hand?” Dat is de reactie die ik meestal krijg, als ik het met ze heb over de (blijkbaar toch niet gerechtvaardigde) angst. Dit is hoe het zit: Ik denk nu misschien wel ‘ain’t gonna happen to me’, maar wat nou als die angst voor een saai leven, die ik nu heb, langzaam zal verdwijnen? Dan heb ik niks meer aan de oplossingen die Camus mij geeft, die werken immers alleen maar als ik ook echt bang ben. Zal de angst langzaam overgaan in acceptatie? Grote kans van wel. Dat is immers wat we massaal om ons heen zien gebeuren. Hoeveel mensen droomden niet ooit van een vrij en avontuurlijk leven, maar zijn nu tevreden met het burgerleven dat ze hebben? Ik verlang er op een bepaalde manier dus naar om angstig te blijven, want als die angst verdwijnt zal ik inderdaad saaie en burgerlijke tijden gaan kennen.

De reden waarom ik bang ben blijkt na het lezen van Camus opeens veel dieper te liggen dan ik voorheen dacht. Ik ben bang mijn vrijheid en daarmee mijn kans om het leven zin te geven te verliezen. Wij mensen verlangen met recht naar een vrij leven, en we mogen de angst om dit te verliezen als een goede vriend omarmen. Om ons heen zien we mensen, tegen hun jeugdige principes in, toch kiezen voor het burgerlijk leven. Wil ik een zelf ingevuld en avontuurlijk leven leiden, dan kan de angst voor tegenovergestelde me daarbij helpen. Ziedaar het voordeel van mijn angst. De vrees dat deze angst langzaam weg zal ebben is dus ook te rechtvaardigen, en geeft mij dat hele kleine beetje hoop om nooit burgerlijk te worden.

Literatuur

  • Camus, A., & Lijsen, C. (2013). De mythe van Sisyphus: Een essay over het absurde. Utrecht: Uitgeverij IJzer.
  • Sire, J., & Ferguson, H. (1981). Een wereld van verschil: Bewust leven met de Heer van het heelal. Kampen: Kok.
Facebooktwittertumblrmail

Tosca is derdejaars filosofiestudente en sinds vorig jaar ook Qualia-redacteur. Ze is geïnteresseerd in existentiële filosofie en vindt het erg belangrijk dat studenten over zingeving nadenken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *