Hoera, ik ga dood Over mijn lijk en betekenis

Iedereen gaat dood. Niet bepaald een vernieuwende notie, maar toch staan we niet vaak stil bij de ultieme consequentie hiervan. Als mensen het over de dood hebben, spreken ze vooral over de onpersoonlijke dood van iemand anders. Veel minder zijn we geneigd na te denken over onze eigen dood. En dat terwijl deze persoonlijke dood ons des te meer aangaat en daarom misschien wel veel interessanter is. Hoogste tijd dus om deze persoonlijke dood eens onder de loep te nemen.

Door Jochem Dijkstra

Woorden werken in het algemeen het best als ze zeggen wat ze bedoelen. Een ligfiets is een fiets waarop je ligt, een café is een plek waar je koffie haalt en de Lingo-tas is een tas die je bij Lingo mee naar huis mag nemen als bij de laatste zevenletterwoorden je milde dyslexie op begint te spelen. Helder en duidelijk. Woorden als deze houden de taal opgeruimd en overzichtelijk. Ik vraag me daarom af wat het woord ‘doodgewoon’ in ons vocabulaire te zoeken heeft. Normaal gesproken vinden wij de dood namelijk helemaal niet zo gewoontjes. Een beschrijving van de dood als ‘het meest ingrijpende dat je kan overkomen’ komt al wat dichter in de buurt. De aanduiding ‘gewoon’ gebruiken we juist als we iets gebruikelijk of alledaags vinden en dat lijkt in het geval van de dood niet op zijn plaats. Doodgaan doen we in het algemeen maar één keer en in de tussentijd doen we ons stinkende best haar op zo groot mogelijke afstand te houden. Aan de andere kant zou je kunnen stellen dat sterven de normale gang van zaken is: levens hebben nu eenmaal de tendens vroeg of laat in een sterfgeval te resulteren. De dood ‘gewoon’ noemen schept dus een hoop onduidelijkheid. Hoe moeten we de dood dan wel begrijpen?

De oud-Griekse filosoof Epicurus geeft tekst en uitleg. Aan de hand van een eenvoudig argument veegt hij al onze angsten voor de dood in één keer van tafel en laat hij zien dat de dood een belangeloze staat van niet-zijn is:

In de dood is er geen sprake van genot of pijn

Het enige dat ons kan schaden is pijn

_____________________________________

De dood schaadt ons niet

Mooi, probleem opgelost. De dood heeft niks met het leven zelf te maken en dient ons volledig koud te laten. In de praktijk lijkt het argument van Epicurus de spijker toch niet helemaal op de kop te slaan. Kennisname van zijn argumentatie leidt zelden tot een aha-erlebnis met volledige onverschilligheid voor de dood als gevolg. De vraag hoe gewoon de dood is laat zich wellicht het best omschrijven door onze moeizame relatie met de pijp uitgaan nader te belichten.

Het heden van mijn dood: Schopenhauer op de sofa

Arthur Schopenhauer heeft een ietwat zwaarmoedige kijk op leven en dood. Het is volgens hem weliswaar ‘de wil om te leven’ die het leven kenmerkt, maar het enige doel van dit leven is om te sterven. Een betekenisloos uitstapje uit de alles omvattende ‘Wil’ van het metafysische, om hier uiteindelijk weer deel van uit te maken. En niet een bijzonder plezant uitstapje bovendien. Het onvervuld laten van de behoeftes levert namelijk lijden op, het vervullen ervan leidt tot ondragelijke verveling. Mocht Schopenhauer voor deze deprimerende kijk op het bestaan in therapie gaan en bij Søren Kierkegaard op de sofa terechtkomen, dan zou Arthur hem allereerst vertellen dat het leven slechts kommer en kwel te bieden heeft. “Het leven is hoe dan ook een pijnlijke aangelegenheid, dat is nu eenmaal de prijs van een eigen wil hebben”, stelt hij terwijl hij het zich gemakkelijk maakt op het pluche. Evenals Epicurus meent Schopenhauer dat met de dood de behoeftes – en daarmee het lijden – wegvallen, wat als de uiteindelijke verlossing beschouwd zou moeten worden. “Vandaag is niet de eerste dag van de rest van uw leven, meneer Kierkegaard. Vandaag is de laatste dag van uw dood, tot dusver.”

Schopenhauer. Zwaar dossier. Daddy issues, hopeloze arrogantie, ongeremd pessimisme en een slechte kapper. En dan laat ik het geweldsdelict waarbij hij moedwillig zijn buurvrouw van de trap duwde buiten beschouwing. Een tragisch geval van weltschmerz, maar dat slechtnieuwsgesprek bewaar ik wel voor het einde van Arthurs sessie. Het probleem met deze man is dat hij weigert het leven op waarde te schatten en daardoor zijn verantwoordelijkheid uit handen geeft. Ja, hij heeft absoluut gelijk dat de dood vandaag, in het heden, al aanwezig is, maar hij trekt hieruit de verkeerde conclusies. Het achteloos de dood tegemoet leven is een passieve houding die de verantwoordelijkheid je leven actief betekenis te geven ondermijnt. De persoonlijke wil dient ingezet te worden om in vrijheid bewuste levenskeuzes te maken. Waarom kan ik deze man niet aan het verstand brengen dat reflecteren op je eigen dood bij uitstek een aanleiding is om de tijd die je gegeven is op een betekenisvolle manier vorm te geven? Meneer Schopenhauer heeft een pedagogische draai om zijn oren nodig. Maar eerst zal ik hem nog een kwartiertje door laten ratelen, daar is immers voor betaald. 

Sartre en het worden van je verleden

Wat we van Schopenhauer en Kierkegaard op kunnen steken is dat de dood al aanwezig is in het heden en daarom niet opgevat moet worden als iets wat pas optreedt zodra het leven geleefd is. Het hebben van behoeftes is kenmerkend voor ons bestaan en kan als bron van zinloos lijden worden opgevat, maar ook juist als bron van zingevend keuzes maken. Kierkegaard beoogt dit laatste: een leven waarin het subject de betekenis van zijn leven bewaakt door het maken van bewuste keuzes. Schopenhauers levenshouding daarentegen leidt er volgens hem enkel toe dat het subject in zijn passiviteit zijn leven laat bepalen.

De tweestrijd tussen deze twee attitudes is volgens Jean-Paul Sartre in ieder mens terug te vinden. Het individu is namelijk een zijn voor-zichzelf, maar kan zichzelf onterecht als een zijn op-zichzelf opvatten. Een persoon is voor-zichzelf omdat zijn essentie niet vastligt. In essentie is het individu namelijk ‘niets’: volstrekt onbepaald en absoluut vrij. Dit in tegenstelling tot dingen, zoals de felbegeerde Lingo-tas, die als poedelprijs een vaststaande essentie heeft. Wanneer iemand zijn identiteit vastlegt door in een bepaalde rol te vervallen, dan noemt Sartre dit kwade trouw. Pierre, de beroemde vaste ober van Sartres lievelingskoffiehuis Café de Flore in Parijs, begaat bijvoorbeeld deze fout door van zichzelf te zeggen dat hij ober is. Wie zijn identiteit niet nauwlettend in de gaten houdt zal gemakkelijk een soortgelijke vergissing begaan en leven alsof hij een zijn op-zichzelf is. Een jammerlijke misser, omdat het kenmerk van de dood volgens Sartre juist is dat het je in een zijn op-zichzelf verandert. Slecht nieuws voor Pierre dus. Eigenlijk is hij al een beetje dood.

Onlangs verscheen het boekje Sterven is heel gemakkelijk, iedereen kan het, waarin René Gude, de denker des vaderlands, geïnterviewd wordt door Wim Brands. Leven zelf, zo blijkt uit Sartres filosofie, kan een stuk lastiger zijn. Een confrontatie met de naderende dood biedt uitkomst: die berooft je weliswaar van het gemak van de eventuele rollen waar je bij het leven in vervallen bent, maar zoals we bij Kierkegaard zagen is het mooie ervan dat de confrontatie je in staat stelt in te zien wat werkelijk belangrijk voor je is en wie je nu echt wilt zijn. Gude, die terminaal kankerpatiënt is, speelde zodoende met het idee om, nu het nog kan, op een Harley Davidson met een ‘jong ding’ achterop door Australië te gaan rijden. Al snel kwam hij erachter dat het samenzijn met vrienden en familie voor hem veel waardevoller is. Er wordt wel gezegd dat liefde blind maakt, maar het is de dood die de ogen opent.

Dat dit principe ook met terugwerkende kracht werkt, blijkt uit gevallen waarin mensen aangeven spijt te hebben van de keuzes die ze hebben gemaakt. Sartre stelt dat dergelijke inzichten draaien om hoe de ander, namelijk de melkboer, Lucille Werner, of in het kort de abstractie van de andere persoon, je uiteindelijk zal herinneren. Het beangstigende van de dood is volgens Sartre dat anderen beslissen over jouw identiteit wanneer je overleden bent. Jijzelf hebt geen controle meer over wie je bent, je bent aan de ander overgelaten om jou te interpreteren. En of zij oordelen dat jij een goed en volwaardig persoon was, hangt natuurlijk volledig af van de keuzes die je gemaakt hebt. Het zijn op-zichzelf waar je in verandert als je sterft is in feite je verleden.

Toekomst na de dood: Rust in vrede, Oscar Wilde en David Hume

Dat we niet vergeten worden, dat schijnen we belangrijk te vinden. “Ik leef nog zolang mensen mij niet vergeten zijn”, hoor je weleens zeggen. Het spreekt de gedachte uit na de dood deel uit te willen blijven maken van de wereld, terwijl we dan volgens Epicurus eigenlijk geen behoeftes meer hebben. Het zou voor ons dus netto niet uitmaken of we wel of niet vergeten worden en of de ander goede dingen over ons zal zeggen. Maar op een of andere manier blijft onze toekomst ons zelfs bezighouden als er geen toekomst meer is. De schrijver Oscar Wilde, bijvoorbeeld, heeft nooit in God of het hiernamaals geloofd, maar toch heeft hij zich op zijn sterfbed bekeerd. Zijn hele leven lang ging Wilde ervan uit dat het einde daadwerkelijk het einde is, maar eenmaal stervende ging deze overtuiging toch zijn fantasie te boven. Het stervensverhaal van David Hume verloopt heel anders, maar er lijkt wel eenzelfde soort boodschap van uit te gaan. Twee journalisten bezochten Hume op zijn sterfbed en hadden een rijpe kandidaat voor bekering verwacht. Dat Hume eigenlijk heel rustig was en zich verzoend had met de dood verbaasde de journalisten. Blijkbaar wordt er verwacht dat stervende mensen zich ineens zorgen gaan maken over hun toekomst omdat dat nu eenmaal vanzelfsprekend is.

Misschien dat dit te maken heeft met het idee dat de mens altijd vooruit is op zichzelf, zoals Martin Heidegger schrijft. Het gegeven dat de mens altijd gericht is op iets zou kunnen verklaren waarom het zo lastig is om je voor te stellen om niet meer op iets gericht te zijn. Om niet meer een toekomst te hebben of niet meer in leven te zijn is wellicht daarom slecht te bevatten: je hebt het simpelweg nog nooit gedaan. Wanneer je bijvoorbeeld nadenkt over hoe het is om dood te zijn schend je direct de meest kenmerkende eigenschap van de dood: je kunt geen perspectieven meer innemen als je dood bent, omdat je niet meer vooruit bent op jezelf. Je maakt je zorgen of je nabestaanden je gekoesterde postzegelverzameling bij het grofvuil zullen gooien, terwijl een dergelijk moment zich überhaupt nooit aan je voor zal doen.

De wil om te leven is kennelijk niet afgesteld op de tijd die we te leven hebben, maar bevindt zich op het niveau van de voorstelling. En ons voorstellen dat we geen toekomst meer hebben, daar zijn we kennelijk niet zo goed in. Zo kun je je afvragen of Epicurus wel zo behulpzaam is door te vermelden dat de dood een staat van niet-zijn is, als we nooit zullen weten wat niet-zijn precies voor ons betekent. Wij kunnen onze dood alleen maar vanuit de eigen ervaring kennen. We weten dat we ergens in de toekomst dood zullen gaan, maar op de consequenties hiervan kunnen we geen grip krijgen. Wat wij weten over onze dood, weten we enkel van binnenuit.

De dood als zingeving

De dood dringt zich in het heden al op. We weten dat het zeker is dat we zullen sterven, maar het is nog niet duidelijk wanneer. Kierkegaard stelt dat het inzien dat onze tijd eindig is een aanmoediging is om bewust te gaan leven en je eigen betekenis te bepalen. Sartre sluit zich aan bij dit punt, maar stelt bij de dood het verleden centraal: de essentie van de dood is dat je je verleden wordt. Des te belangrijker dus dat je tevreden bent met wie je wordt. De ander heeft zijn afkeurende vinger klaar en hoe je herinnerd zult worden, hangt na je overlijden geheel van hem af. De dood is in die zin een soort levenstherapie, een mental coach die je bij de les houdt als het gaat om het maken van de juiste levenskeuzes.

In het maken van keuzes en daarmee het vormen van je eigen betekenis, sta je altijd uit naar de toekomst. Je laat bij dat laatste zevenletterwoord bijvoorbeeld een steekje vallen omdat je liever je fantastische Lingo-tas aan je vrienden laat zien dan twee tickets voor een wellness center. Volgens de filosofie van Heidegger is dit op onszelf vooruit zijn, uitstaan naar de toekomst, wezenlijk voor het mens-zijn. Dat er op een gegeven moment een einde komt aan deze toekomst doordat je sterft, voelt daarom des te onnatuurlijker. Want niet bestaan, geen keuzes maken en geen betekenis scheppen, dat hebben we nog nooit gedaan.

Eigenlijk is de dood dus altijd al in ons aanwezig. In het heden omdat we ons vandaag al verhouden tot de dood, in het verleden omdat dat is wat ons inhaalt in de dood en in de toekomst omdat de dood deze als enige weg kan nemen. In die zin is de dood heel gewoon; we zijn er van meet af aan mee vertrouwd. De dood onderscheidt zich daarmee niet van het leven in die zin dat het een breuk vormt tussen zijn en niet-zijn. Veeleer maakt zij onherroepelijk deel uit van de zingeving van het leven. Wie bang is voor de dood is in die zin bang voor zichzelf.

Door de eeuwen heen heeft de mens naar de betekenis van zijn leven gezocht in dogma’s zoals religieuze doctrines. Zij zijn echter geen blijvende principes, zij veranderen met de tijdsgeest en bieden daarom geen rotsvast fundament voor een zinvol leven. Volgens Friedrich Nietzsche is God al lang en breed overleden. Nu wij nog. Dat wil zeggen, voorheen konden we nog een beroep doen op religie om onze verantwoordelijkheid voor wie we zijn te verhullen. Tegenwoordig is het steeds moeilijker om je te onttrekken aan je zeggenschap in een betekenisvol leven. Wil je een betekenisvol leven leiden, dan zul je je moeten verhouden tot jezelf; een bewustzijn dat vervlochten is met zijn eigen eindigheid. Een leven dat zich niet verhoudt tot de dood, zoals een oneindig leven, breekt dusdanig met het karakter van het menselijk bestaan dat je je af kunt vragen of het nog wel een leven is. Veeleer is het heel iets anders waar wij ons überhaupt geen goede voorstelling van kunnen maken.

De dood kan dus misschien overkomen als een vreemde, onvriendelijke entiteit waar je pas mee te maken krijgt als je bewustzijn definitief beëindigd wordt. In werkelijkheid zul je de dood nooit op deze manier leren kennen. Je eigen dood tref je in het leven zelf aan in de vorm van een bakermat voor een zinvol bestaan. Jouw dood is dus eigenlijk zo slecht nog niet.

Literatuur

Bor, J, Petersma E (red.). (1995). De verbeelding van het denken. Amsterdam: Uitgeverij Contact

Cathcart, T & Klein, D. (2009). Heidegger and a Hippo Walk Trough Those Pearly Gates. London: Penguin Books Ltd.

Hollak, R. (27 september 2014). Het Grote Interview, interview René Gude. NRC weekendbijlage, pp. 14-16

Luper, S. (2014). ‘Death’. In E.N. Zalta (ed.), The Stanford Encyclopedia of Philosophy, Edward N. Zalta (ed.). Geraadpleegd op: http://plato.stanford.edu/archives/win2014/entries/death/.

Watkin, J. (1990). ‘Kierkegaard’s view of death’. In History of European ideas, vol. 12, no I. pp. 65-78. Great Britain: Pergamon Press plc.

 

Bronnen

http://www.deathreference.com/Py-Se/Sartre-Jean-Paul.html

http://www.deathreference.com/Py-Se/Schopenhauer-Arthur.html

http://www.avrotros.nl/lingo/home/

Facebooktwittertumblrmail

Jochem maakt sinds 2013 deel uit van de redactie, en was de afgelopen twee jaar tevens eindredacteur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *