Het redden van de bedreigde taal Over de verhouding tussen taal, denken en cultuur

Er wordt wel gezegd dat iedere taal een ander perspectief op de wereld is, en dat we daarom een diversiteit aan talen moeten behouden. Maar waarom denkt men dat eigenlijk? En als er inderdaad een verband tussen ons denken en onze taal is, kan dat dan gebruikt worden als argument om bedreigde talen te behouden?

Door Sarah Bloem

Van de 7000 talen die onze wereld rijk is, loopt meer dan veertig procent het risico om te verdwijnen. Veel talen worden maar door een klein groepje mensen gesproken. Er zijn bijvoorbeeld heel veel verschillende indianentalen die maar door een klein aantal mensen gesproken worden. Deze groepjes worden tezijnertijd steeds kleiner, bijvoorbeeld omdat het aanleren van een andere taal tot een grotere kans op een baan kan leiden of omdat er getrouwd wordt met iemand die een dominantere taal spreekt. De mogelijke oorzaken zijn talrijk. De vraag is of we ons er druk om moeten maken dat deze talen verdwijnen. Als er minder talen zijn, dan spreken meer mensen dezelfde taal en kan communicatie dus ook makkelijker verlopen. Aan de andere kant verdwijnt er wel een stukje cultuur van het desbetreffende volk. Een veel gebruikt argument voor een grote diversiteit aan talen is dat we daarmee een grote diversiteit aan perspectieven op de wereld behouden. Het idee is dat ons wereldbeeld gekleurd wordt door de specifieke taal die we spreken. Waarom denkt men dit eigenlijk?

Boze eskimo’s
Een van de eerste taalwetenschappers die hierover schreven waren Edward Sapir (1884-1939) en Benjamin Lee Whorf (1897-1941). Zij deden onderzoek naar talen in Noord- en Midden-Amerika. Met name Whorf was geïnteresseerd in de relatie tussen taal en denken. Zo schreef hij hierover:

Users of markedly different grammars are pointed by their grammars toward different types of observations and different evaluations of externally similar acts of observation, and hence are not equivalent as observers, but must arrive at somewhat different views of the world.”

Volgens Whorf hebben mensen die radicaal verschillende talen spreken dus een andere visie op de wereld. Hij stelt ook dat de manier waarop we een situatie in de werkelijkheid benoemen, invloed heeft op het gedrag die we in die situatie vertonen. Tijdens zijn werk voor een brandverzekeringsbedrijf constateerde hij dat mensen voorzichtiger handelen in een situatie met volle benzinevaten, dan in een situatie met lege benzinevaten, terwijl laatstgenoemde situatie eigenlijk gevaarlijker is, omdat er dan meer explosieve dampen zijn. Het verschil in gedrag zou onder andere te maken hebben met het beeld dat ze hadden bij het woord ‘leeg’. Het beeld dat iemand van de situatie heeft lijkt beïnvloed te zijn door de manier waarop hij de situatie zou beschrijven, en dus door de taal.

Worden we beperkt door de labels die we binnen een taal kunnen gebruiken? Er zijn woorden die in het Nederlands niet bestaan, maar waarvan we de invulling toch kunnen begrijpen. In het Japans kent men bijvoorbeeld het woord ‘amae’, wat zoiets betekent als een prettig, maar afhankelijk gevoel, zoals vele kinderen voelen bij hun moeder. Misschien weten we niet precies wat zij er mee bedoelen, maar tot op een zekere hoogte kunnen we het toch begrijpen. Net zoals niet-Nederlanders het wel gezellig kunnen hebben, ook al kan het woord ‘gezellig’ naar de meeste talen niet direct vertaald worden. Tussen 1963 en 1965 deed cultureel antropologe Jean Briggs onderzoek naar eskimostammen. Een van de stammen, de Utku’s,  heeft geen woord voor de emotie ‘woede’ of ‘boosheid’. Briggs schreef dat ze nooit boos tegen elkaar deden. Veel mensen beweren dat dit komt doordat ze er geen woord voor hebben, maar naar mijn mening is dit niet zo waarschijnlijk. Binnen hun gemeenschap is zelfcontrole, op het gebied van emotie en expressie, namelijk één van de meest gewaardeerde eigenschappen. Het is dus goed mogelijk dat niet de taal, maar een sociale norm, de oorzaak is van het verschijnsel. Het ontbreken van zowel het woord voor woede als de uiting van woede, betekent dus niet direct dat de Utku’s beperkt worden door de taal die ze spreken.

Wetenschappelijk onderzoek
Volgens Lera Boroditksy verschilt per taal waar je op moet letten om de taal grammaticaal goed te spreken. Als je bijvoorbeeld zou willen zeggen dat oom Donald op 42nd street is, dan zou je in het Indonesisch niet weten of hij daar al is of niet, in het Russisch zou het werkwoord laten zien of je een man of een vrouw bent en in Mandarijn zou je specifieker moeten zeggen of het om bloedverwantschap of een aangetrouwde oom gaat en of hij de broer is van je moeder of je vader. De verschillen zijn ontelbaar. Daarom letten mensen die de ene taal spreken op andere dingen dan mensen die de andere taal spreken.

Stephen Levinson deed in 1992 onderzoek naar een groep Aboriginals die de taal ‘Guugu Yimithirr’ spreken. Hij ontdekte dat er fundamentele verschillen zijn tussen de manier waarop zij en waarop wij over ruimtelijke relaties praten. In het Nederlands gebruiken we hoofdzakelijk een relatief of egocentrisch systeem. Als je bijvoorbeeld zegt: “De auto staat voor het huis,” dan bedoel je eigenlijk: “vanuit mij gezien staat de auto voor het huis.” Het referentiepunt ben jij zelf. Een spreker met een absoluut systeem zou bijvoorbeeld zeggen “De auto staat ten zuiden van het huis,” afhankelijk van de zon. De Aborginals die Levinson beschreef baseren zich op de windstreken, en hebben dus een absoluut systeem. Levinson wilde onderzoeken of we dingen alleen anders beschrijven, of dat het ook van invloed is op de manier waarop we situaties reconstrueren. In dat geval betreft het namelijk niet alleen spreken in termen van noord, oost, zuid en west, maar ook denken en herinneren in die termen. Stel nou dat we voor een tafel met daarop een peer en een ananas. De peer staat links ten opzichte van de ananas. Als ik vervolgens de ananas pak en hem op de tafel achter me opnieuw in het midden leg en jouw vraag de situatie te reconstrueren, dan zou jij de peer opnieuw aan de linkerkant van de ananas plaatsen. De aboriginal zou dat anders doen. Hij zou de peer aan de rechterkant van de ananas plaatsen, omdat dit opnieuw ten westen van de ananas is (de tweede tafel stond in eerste instantie achter ons, dus we zijn een halfslag gedraaid). Volgens Levinson komt dit verschil doordat we iets zo opslaan in hun geheugen, dat we er later weer over kunnen praten. De manier waarop we iets opslaan in ons geheugen is gebonden aan de structuur of grammatica van onze taal. Daarom heeft de taal die we spreken volgens Levinson invloed op de manier waarop we een situatie reconstrueren.

Culturele verschillen
Laten we aannemen dat het klopt dat de taal die we spreken van invloed is op onze manier van herinneren en reconstrueren, hebben we dan een goed argument om diversiteit in talen te behouden? Naar mijn mening is dit niveau van verschillen in herinneren en reconstrueren te weinig om te spreken over fundamenteel verschillende manieren van denken, maar dat betekent niet dat een andere taal niet alsnog een ander perspectief op de wereld kan zijn. Misschien is het juist wel een ander perspectief op de wereld omdat het voortkomt uit een cultuur met met een ander perspectief op de wereld. In dat geval beïnvloedt de cultuur waarin iemand leeft vooral de taal die iemand spreekt en niet of minder andersom. Dit zou aansluiten bij het idee dat de Utku’s geen woord voor woede hebben omdat het iets is waarvan men vindt dat je het niet moet uiten. Maar als een taal vanwege de culturele verschillen een ander perspectief op de wereld is, heeft het dan nog wel zin om bedreigde talen te proberen te redden? Het verdwijnen van een taal gaat over het algemeen gepaard met het verdwijnen van een cultuur. En als taal en cultuur zo verbonden zijn, is het dan nog wel mogelijk om een taal te redden als de cultuur al verdwenen is? Zelfs als het wel mogelijk is, wat is er zonder de cultuur nog over van het perspectief op de wereld?

Verloren kennis
Hoe we de wereld zien en hoe we over de wereld spreken zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Of taal nu van invloed is op ons denken, ons denken op onze taal of een wisselwerking van beide: onze taal is een belangrijk deel van onze identiteit en cultuur.  Zelf vind ik het goed om bedreigde talen te proberen te redden. Het idee van taal als perspectief op de wereld vanwege de relatie tussen denken en taal kan hier echter niet zonder meer als argument voor gebruikt worden. Wetenschappelijk onderzoek kan tot dusver hoogstens aantonen dat er een verband bestaat tussen het denken in een taal en het herinneren en reconstrueren in die taal. Dat is nog niet sterk genoeg voor het spreken over verschillende perspectieven op de wereld.

Naar mijn mening kunnen we veel van andere culturen leren. Daarom moeten we subculturen of ‘kleine’ culturen in het algemeen niet zomaar laten verdwijnen. Hetzelfde geldt voor de taal binnen die culturen. Om een cultuur echt te kunnen begrijpen moet je begrijpen hoe de mensen binnen die cultuur met elkaar samenleven en dat kan niet zonder communicatie. Een taal die niemand meer spreekt kan je nog wel leren schrijven, maar om de taal echt te leren kennen heb je andere mensen nodig die opgegroeid zijn met die taal. Alleen dan ‘leeft’ de taal en kun je hem leren kennen. Daarom vind ik dat we talen niet zomaar verloren moeten laten gaan. Juist de kleinere talen en culturen zijn vaak heel anders dan die van ons en juist daar kunnen we van leren. Het is niet mogelijk om ze allemaal te behouden, maar we kunnen ons wel inzetten om de taal en cultuur van minderheden te beschermen en te stimuleren. Taal en cultuur zijn bijzonder, en als haar kennis eenmaal weg is, dan blijft zij weg.

Facebooktwittertumblrmail

Sarah is derdejaarsstudent wijsbegeerte en hoofdredacteur van de Qualia.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *