Het grote wasknijpervraagstuk

Over de opkomst en ondergang van tijd

“En ik duw met al mijn kracht tegen de wijzers van de klok
Maar het lukt me niet ze af te remmen
En het zand glijdt zonder moeite tussen al mijn vingers door”

– Marco Borsato

Filosofische gedachten over tijd zijn op de meest onverwachte plaatsen terug te vinden. Toch heeft de tijd nog maar weinig van zijn enigmatische karakter verloren, wat de zoektocht naar diens essentie en destructie eigenlijk alleen maar interessanter maakt. D

Wat is tijd? Het lijkt een onschuldige vraag, maar zoals bij wel meer vragen het geval is, ligt er in het beantwoorden ervan een hele hoop problemen op de loer. Augustinus weet de problematiek omtrent de vraag wat tijd is mooi te verwoorden: “zolang niemand het me vraagt, weet ik het wel. Maar als ik op deze vraag antwoord moet geven, weet ik het niet meer.” In de eerste instantie lijkt het antwoord niet zo ingewikkeld: tijd is iets wat wordt aangegeven door de klok. Maar wat is dit ‘iets’ precies? En zou er – à la Berkeley – nog steeds tijd bestaan als er geen klok (of wat dan ook) was om hem te meten?

Op deze laatste vraag zijn drie antwoorden mogelijk: ‘ja’, ‘nee’ of ‘niet van toepassing’. Deze antwoorden komen overeen met het antwoord van respectievelijk het tijdsabsolutisme, het tijdsrelationisme en het tijdsnihilisme. Voordat er met ingewikkelde filosofische begrippen wordt gestrooid, is het echter misschien handig om een beeld te krijgen van wat we normaal gesproken bedoelen als we het hebben over ‘tijd’.

Het waslijn-met-wasknijper model

Op een ‘normale’ manier kan tijd worden gezien als bestaande uit het verleden, het heden en de toekomst. Tot het verleden behoren de dingen die al gebeurd zijn, tot de toekomst de dingen die nog moeten gebeuren en tot het heden dat wat nú aan het gebeuren is. Tijd kan zo worden gezien als een (oneindig) lange waslijn waar een wasknijper aan is vastgemaakt: het verleden is de ene kant van de waslijn, de toekomst de andere, en de wasknijper is de grens tussen verleden en toekomst (dat wil zeggen het heden). Op deze tijdswaslijn zit maar één wasknijper, het heden is namelijk voor iedereen op hetzelfde moment. (Het is natuurlijk niet zo dat de wasknijper onbeweeglijk op één punt van de waslijn zit; dat zou betekenen dat iedereen voor altijd in één specifiek moment leeft. Onze temporele wasknijper schuift ononderbroken – en met een constante snelheid – in de richting van de toekomst.) Hoe intuïtief dit waslijn-met-wasknijper model van tijd ook aanvoelt, het beantwoordt eigenlijk geen van onze vragen over de tijd. Waar is de waslijn van gemaakt? En bestaat de wasknijper eigenlijk wel? Kortom: wat is de essentie van tijd?

Tijd als lege container

Volgens het tijdsabsolutisme bestaat tijd onafhankelijk van de gebeurtenissen die in hem plaatsvinden. Tijd kan binnen deze theorie worden gezien als een ‘lege container’ waar de gebeurtenissen in worden geplaatst; de container kan echter los van deze gebeurtenissen bestaan (net zoals een wasknijpermandje niet per se wasknijpers hoeft te bevatten, alhoewel dit meestal wel het geval is).

We kunnen ons nu echter afvragen waar deze ‘absolute tijdscontainer’ van is gemaakt. Aangezien hij niet wordt geconstitueerd door zijn inhoud, moet er iets anders zijn dat de container werkelijk maakt. Misschien moeten we tijd zien als een absolute dimensie, vergelijkbaar met het newtoniaanse begrip van ruimte. Deze vergelijking is echter enigszins problematisch: al in de antieke filosofie was het idee van absolute ruimte controversieel en ook de huidige natuurkunde zet – met name dankzij Einsteins relativiteitstheorie – vraagtekens bij ruimte (en tijd) als absolute dimensie.

Een relationistisch beeld van tijd

Tegenover het tijdsabsolutisme staat het tijdsrelativisme. Volgens deze theorie kan tijd niet bestaan zonder de gebeurtenissen die in deze tijd plaatsvinden: tijd is gebeurtenis-afhankelijk. Een (schijnbare) aanhanger van dit tijdsidee is Aristoteles. In het vierde boek van zijn Fysica stelt hij dat “tijd een getal is dat behoort tot beweging met betrekking tot voor en na”. Tijd bestaat volgens Aristoteles dan ook niet zonder beweging. Een probleem met Aristoteles’ definitie van tijd is echter dat deze circulair lijkt: ‘voor’ en ‘na’ zijn woorden die – normaal gesproken – worden gebruikt in een temporele context. Als ‘voor’ en ‘na’ in deze zin worden opgevat, definieert Aristoteles ‘tijd’ dus in termen van tijd (wat toch wel enigszins problematisch is).

De connectie tussen tijd en beweging is erg intuïtief: we zijn gewend het verstrijken van de tijd te associëren met de beweging van de wijzers van een klok en andersom lijkt het onmogelijk dat deze wijzers kunnen bewegen zonder dat er tijd verstrijkt. Maar is onze intuïtie wel betrouwbaar?

Tijdsnihilisme

Alhoewel tijdsabsolutisten en tijdsrelativisten het oneens zijn over de ontologische status van tijd, weten ze beiden een groot deel van onze intuïties over tijd te behouden. Er zit nog steeds één en dezelfde wasknijper op de waslijn, die zich gestaag richting de toekomst beweegt. Het tijdsnihilisme ontkent dit: tijd bestaat niet, of tenminste niet op een manier die overeenkomt met dit intuïtieve model. Een voorbeeld van tijdsnihilisme kan worden gevonden in de huidige natuurkunde, zoals in het werk van Carlo Rovelli. Hierin worden onder andere onze ideeën over de eenheid van tijd en het bestaan van het nu betwist. (Ook kent tijd volgens Rovelli geen absolute onafhankelijkheid en is er op een fundamenteel niveau geen onderscheid tussen verleden, heden en toekomst te vinden.)

Aan de hand van Einsteins relativiteitstheorie zet Rovelli vraagtekens bij onze intuïtie dat tijd met een constante ‘snelheid’ verstrijkt. Hoe groter de snelheid van een object of hoe sterker het gravitatieveld waarin het zich bevindt, hoe langzamer de tijd voor dit object verstrijkt. Een klok op de grond tikt langzamer dan een klok op tafel. Maar welke klok geeft de ‘echte’ tijd aan? Tikt de klok op de tafel sneller ten opzichte van de echte tijd die wordt gemeten door de klok op de grond, of tikt de klok op de grond langzamer dan de echte tijd die wordt gemeten door de klok op tafel? Volgens Rovelli zijn dit betekenisloze vragen; we kunnen ons net zo goed afvragen of de waarde van een pond in euro’s echter is dan de waarde van een euro in ponden. Er is geen echtere waarde: ponden en euro’s hebben een waarde ten opzichte van elkaar. Hetzelfde geldt voor tijd: de tijd van de ene klok is niet echter dan die van de ander, want tijd is relatief. Dit is niet alleen het geval voor de twee klokken, maar voor iéder punt in de ruimte: elk heeft zijn eigen tijd. Al deze punten hebben hun eigen ‘tijdsritme’ en zo ook hun eigen ‘nu’. Het universum behelst een oneindig aantal tijdswaslijnen en hun wasknijpers zitten niet allemaal op dezelfde plaats.

Maar is deze theorie wel nihilistisch te noemen? Het nihilisme beloofde tijd volledig te laten verdwijnen, maar nu lijkt het erop dat deze natuurkundige tijdstheorie alleen maar méér tijd in de wereld heeft gebracht, oneindig veel zelfs! Bestaat tijd dan dus toch? Om het Aristotelisch te benaderen: time is said in many ways. Tijd bestaat, maar het mist nagenoeg alle eigenschappen die we er normaal gesproken aan toekennen. En als we zeggen dat iets bestaat, maar tegelijkertijd alle eigenschappen ontkennen die datgene (naar ons begrip) maken tot wat het is, is dat dan niet hetzelfde als zeggen dat het niet bestaat?

Het einde der tijden

Een waslijn, een container, de volgorde van gebeurtenissen, verbazingwekkend weinig… We weten nu wat tijd is (of eerder: wat tijd zou kunnen zijn), maar zal deze tijd ooit ophouden te bestaan? Is er een daadwerkelijk einde der tijden?

Als tijd een soort onafhankelijke container is, zoals het tijdsabsolutisme zegt, lijkt de kans groot dat het einde der tijden nooit zal plaatsvinden. Net zoals een slechte roman kan de tijd ook zonder substantiële inhoud bestaan. En als tijd onafhankelijk van alle gebeurtenissen bestaat, kan er waarschijnlijk ook niets gebeuren om hem ten val te brengen. Toch is deze redenatie niet compleet waterdicht: een container kan dan wel geleegd worden zonder dat hij daarmee ophoudt te bestaan, maar dat betekent nog niet dat we niks in de container kunnen stoppen wat deze container kan vernietigen.

Alhoewel de tijd volgens het absolutisme dus mogelijk als onsterfelijk kan worden gezien, is zijn relativistische levensprognose waarschijnlijk minder positief. Tijd is volgens het relativisme gebeurtenis-afhankelijk en zal dus sterven op het moment dat er geen nieuwe gebeurtenissen meer ontstaan. Maar zal het ooit gebeuren dat er niks meer gebeurt?

Misschien als het universum om de een of andere reden plotseling ‘bevriest’, als een soort oneindig grote driedimensionale foto. Helaas – of misschien eerder gelukkig – is deze bevriezing van het universum alleen mogelijk als gedachte-experiment. Temperatuur is de maat van de beweging van deeltjes: als een stof ‘absoluut koud’ wordt en een temperatuur van 0 Kelvin bereikt, betekent dit dat alle deeltjes in deze stof stilstaan. Volgens het onzekerheidsprincipe van Heisenberg is dit echter onmogelijk, omdat het momentum en de plaats van een deeltje nooit tegelijkertijd volledig zeker kunnen zijn.

Toch is er nog reden tot (wan)hoop: stel dat we het universum in een soort fundamentele gehaktmolen stoppen, zijn gehele inhoud aan flarden scheuren en alles veranderen in een oneindige homogene substantie; is er dan nog verandering mogelijk? Als we het Parmenidiaans bekijken waarschijnlijk niet: verandering veronderstelt (de mogelijkheid tot) pluraliteit – want iets verandert in iets anders – en in een staat van absolute homogeniteit is er simpelweg niets wat deze pluraliteit kan verwerkelijken. Een soort universele vorm van conformisme doodt zo dus letterlijk iedere notie van (temporele) vooruitgang. (Een erg on-Parmenidiaanse gedachte: is zo’n absolute eenheid eigenlijk niet hetzelfde als niets? Misschien wordt het bestaan van iets gekenmerkt door het bestaan van grenzen – als we iets tekenen hoeven we ook alleen maar de buitenrand, de grens, op papier te zetten. Een totale afwezigheid van grenzen kan zo worden gezien als de totale afwezigheid van iets, oftewel de totale aanwezigheid van niets. Voor het voortbestaan van de tijd maakt dit overigens weinig uit: als tijd daadwerkelijk gebeurtenis-afhankelijk is, zal de aanwezigheid van een absoluut niets hem waarschijnlijk niet kunnen redden.)

Volgens Aristoteles is het einde der tijden echter onmogelijk, omdat de veronderstelling van een dergelijk einde tot een contradictie leidt. Als de tijd daadwerkelijk een einde heeft, moet hij logischerwijs op een gegeven moment ophouden te bestaan. Maar een dergelijk moment (Aristoteles noemt het een nun) kan alleen bestaan als het tussen een eerdere en een latere tijdsperiode in zit – een moment is immers niets anders dan de demarcatie tussen twee tijdsperiodes. Het plaatsvinden van een einde der tijden veronderstelt dus de voortgang van diezelfde tijd na zijn eigen einde; het is dan ook uitgesloten dat de tijd ophoudt te bestaan.

Maar wat als tijd überhaupt niet bestaat? Iets wat niet is, kan ook niet ophouden te zijn. Het einde der tijden is vanuit een sterk nihilistisch perspectief dus per definitie onmogelijk. In een mildere vorm van tijdsnihilisme (zoals een bepaalde versie van natuurkundig tijdsnihilisme) kan er echter nog wel sprake zijn van de ondergang van de tijd. Hoe groter de snelheid van een object, hoe langzamer de tijd voor dit object gaat. Maar tijd verdwijnt volledig wanneer iets zich met de kosmische maximumsnelheid – de lichtsnelheid – voortbeweegt. Willen we de tijd dan ook volledig laten verdwijnen, dan zullen we alle deeltjes in het universum deze maximumsnelheid moeten geven. Hiervoor zouden we echter eerst het einde der materie moeten inluiden, aangezien materie in essentie niets anders is dan de beteugeling van deeltjes die zich anders met de lichtsnelheid zouden voortbewegen. De vernietiging van tijd gaat dus hand in hand met de vernietiging van materie. Apocalyptisch gezien zouden we met onze pogingen om tijd ten val te brengen dus twee vliegen in één klap slaan.

Hoe sterft de tijd? Alhoewel er vele interessante mogelijkheden te bedenken zijn, zullen we het waarschijnlijk niet weten totdat de temporele tenondergang daadwerkelijk zijn intrede doet. De tijd zal het leren.

Afbeeldingen door Myrthe van den Hoed

Facebooktwittertumblrmail

Myrthe is eerstejaarsstudente filosofie en een groot fan van Herakleitos, pindakaas en nadenken over de absurditeit van het bestaan – drie dingen die overigens uitstekend te combineren zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *