Geef ons onze verantwoordelijkheid terug! Over de invoering van het practicum filosofie

Wij filosofen hebben hier in het Hoge Noorden veel om trots op te zijn: een zelfstandige faculteit, een studie filosofie die al jaren hoog scoort en waar studenten les krijgen van docenten en hoogleraren waarvan sommigen zelfs een Spinozaprijs op hun naam hebben staan. Waar filosofiestudenten worden geschoold in alle takken van de filosofie en teksten lezen van de meest uiteenlopende filosofen. En waar we sinds vorig jaar een aanvulling hebben gekregen op dit prachtige onderwijs: het practicum filosofie. Een kritische analyse.

Door Femke Vulto

Een practicum filosofie klinkt een beetje als een contradictio in terminis: filosofie is bij uitstek een theoretische studie en een practicum roept al snel associaties op van experimenten met veel knallen, rook en ingewikkelde meetapparatuur. Experimenteren met Kant, Schopenhauer of Heidegger klinkt echter nogal suggestief, en bovendien nogal onhaalbaar. Veel oudere studenten zullen daarom ook niet weten wat ze zich bij zo’n practicum voor moeten stellen, terwijl eerste- en tweedejaarsstudenten zich er misschien niet bewust van zijn waarom we ze dit vak krijgen. Sterker nog, binnen een paar jaar zullen de jongere studenten het volgen van dit vak als een onveranderbare vanzelfsprekendheid beschouwen. Vandaar hier de kritische analyse van het practicum waar iedereen al zo lang op zat te wachten: over wat het practicum inhoudt en over waarom het geen aanvulling maar juist een afbreuk aan onze opleiding is.

Over de invoering van het practicum filosofie

Het practicum filosofie, misschien algemener bekend onder de naam learning communities, zijn een gedeeltelijke vervanging van de reguliere werkcolleges. Eerstejaarsstudenten hebben één keer per week twee uur lang een practicum in plaats van een gewoon werkcollege. Voor tweedejaarsstudenten is dit twee keer per drie weken. Anne-Margot Lambers is de coördinator van dit vak. Ik had een prettig en open gesprek met haar over het doel en de invulling van deze veelbesproken practica.

‘‘Ik ben aangenomen als docent academische vaardigheden,’’ vertelt ze, ‘‘toen was nog niet duidelijk hoe dat zou worden vormgegeven. Er is eerder een vak over filosofische vaardigheden gegeven, maar daar was destijds veel kritiek op, dus dat is weer verdwenen. Vervolgens hoorden we dat de universiteit veel geld beschikbaar stelde voor faculteiten die een experiment wilden doen met het concept learning communities. Wij hebben die uitdaging toen aangenomen.’’ Deze zogenoemde learning communities zijn een vorm van onderwijs die in Amerika veel gebruikt wordt. Het houdt in dat je met een kleine groep studenten die je goed leert kennen in een vertrouwde omgeving samen leert. In praktijk zijn dat bij onze studie groepen die ongeveer even groot zijn als een gemiddelde werkgroep, waar studenten een jaar lang met dezelfde mensen het practicum volgen. Elke groep heeft een eigen practicumdocent die het hele jaar dezelfde groep begeleidt.

In het practicum wordt aandacht besteed aan het aanleren van bepaalde academische vaardigheden. ‘‘In het eerste jaar ligt de nadruk vooral op het leren lezen van filosofische teksten en het schrijven van essays. In het tweede jaar wordt er ook aandacht besteed aan andere vaardigheden, zoals presenteren en debatteren,’’ vertelt Anne-Margot. ‘‘We proberen hierbij de practica zoveel mogelijk te laten aansluiten op de inhoud van het college.’’ In de practica wordt hierbij niet dieper ingegaan op deze inhoud, maar de stof uit het werkcollege wordt gebruikt als uitgangspunt voor de vaardighedentraining.

Over de uitvoering van het practicum filosofie

Een voorbeeld van hoe het practicum aansluit op de stof van college, is dat in de learning communities vaak proefversies van essays besproken worden. Studenten kunnen deze inleveren en krijgen hier commentaar op van hun practicumdocent. Ook is er ruimte in de practica om elkaars essays te lezen en te verbeteren. Veel studenten vinden dit erg prettig, zo zegt een eerstejaarsstudent: “Voor ik hier kwam studeren had ik nog nauwelijks essays geschreven. Dan moet je dat opeens doen en van de docent krijg je daar geen verdere uitleg over. Het is fijn dat je tijdens het practicum dan wat meer begeleiding krijgt.”

Maar verder is de invoering van het practicum niet geheel zonder kritiek gebleven. Veel studenten klagen erover dat de practica ten koste gaan van de werkcolleges, omdat teksten minder goed besproken worden. Het eerste jaar van het practicum vonden studenten de opdrachten voor het practicum ook vaak irrelevant – met als dieptepunt het moment dat ze een tekst kregen waarin ze een uur lang signaalwoorden moesten omcirkelen. Inmiddels is deze opdracht geschrapt. Er is een bespreking geweest met een aantal tweedejaars over hoe het practicum verbeterd kan worden en daarnaast wordt er ook in de faculteitsraad gesproken over hoe het practicum beter op de colleges kan aansluiten. Ondertussen zijn met name veel tweedejaarsstudenten ontevreden dat ze dit jaar nog een keer practicum krijgen. “De opkomst van het practicum,’ stelt een student, ‘is de HBO-isering van het WO.” Een andere tweedejaarsstudent sluit zich hierbij aan: “Het practicum is voor mij een beetje terug naar de middelbare school.”

Zo gek is dat ook niet, als je bedenkt dat de tweedejaarscolleges toch moeilijke stof bevatten. In plaats van college over het esthetisch regime van de kunsten krijgen studenten nu les over de functie van een inleiding. Het lijkt ook vreemd dat studenten, doordat ze tijdens een practicum beter technisch leren lezen, juist minder toekomen aan het lezen en bespreken van filosofische teksten. Op dezelfde manier hoeven ze ook minder essays te schrijven: vroeger werd er van studenten geëist dat ze twee essays per vak schreven, nu is dat er nog maar één. Volgens de universiteit is het practicum noodzakelijk omdat je als filosoof technisch moet leren lezen en schrijven, en moet kunnen discussiëren en debatteren. Maar dit is een omgekeerde redenering: van filosofen wordt verwacht dat ze deze vaardigheden bezitten omdat je die leert door aan filosofie te doen. Je leert technisch lezen door vooral veel filosofische teksten te lezen. Je leert goed te schrijven door vooral veel essays te schrijven. Je leert debatteren door filosofische discussies te voeren. Mijn punt is: voor geen van deze dingen heb je iets als een practicum filosofie nodig.

Over de afschaffing van het practicum filosofie

Waarom bestaat dit practicum dan toch? Je zou het kunnen zien als een soort tegemoetkoming voor beginnende studenten: ze worden als het ware een beetje op weg geholpen. Ze hoeven niet helemaal alleen uit te zoeken hoe ze een essay moeten schrijven en ze hoeven zich niet meteen helemaal alleen door ellenlange, taaie teksten heen te slepen. Tot op zekere hoogte is deze begeleiding ook noodzakelijk, doordat het onderwijs op veel middelbare scholen tekortschiet. De universiteit is echter doorgeschoten in deze begeleidersrol, ze verwacht nauwelijks meer iets van de eigen verantwoordelijkheid en capaciteiten van de student. Ze is bereid alles te doen voor de studenten, zolang die hun studie maar halen. Van studenten die een VWO-opleiding hebben afgerond of die een propedeuse bij een HBO-opleiding hebben gehaald mag je ervan uitgaan dat ze weten hoe een tekst is opgebouwd. Je mag verwachten dat ze een tekst niet meteen wegleggen zodra die een beetje moeilijk wordt. En doen ze dat wel? Laat ze dan maar falen.

Een vriendin van mij studeert filosofie in Amsterdam aan de UvA. Zij moest in haar tweede jaar Word and Object van Quine geheel lezen en samenvatten. Ze had nog nooit zo iets moeilijks gelezen, laat staan samengevat, dus begon ze gemotiveerd aan de opdracht. Ze las het hele boek twee keer, stopte uren en uren in haar samenvatting… om vervolgens een twee te halen. Is dat hard van de universiteit? Waarschijnlijk wel. Was het pijnlijk voor haar? Absoluut. Maar een universiteit moet hard zijn en studenten mogen merken dat het niet altijd makkelijk is. Het niveau ligt nou eenmaal hoog bij een universitaire opleiding, of zou in ieder geval hoog moeten liggen. Studenten moeten op dat niveau presteren, en als dat niet meteen lukt, dan moet de universiteit haar standaarden niet gaan aanpassen. Een universitaire opleiding moet niet streven naar een zo hoog mogelijk slagingspercentage, maar juist naar een zo hoog mogelijk onderwijsniveau. De studenten zijn degenen die zich moeten aanpassen aan de standaard van de universiteit. Gelukkig kunnen de meesten dat best wel, ze moeten alleen leren hoe. Dat gaat nou eenmaal met vallen en opstaan. Maar juist door het maken van fouten en door het leren omgaan met moeilijkheden leren studenten. Hier worden ze uiteindelijk beter van. Die vriendin van mij? Voor haar herkansing haalde ze een zeven.

Ik vroeg een tweedejaarsstudent wat zijn grootste kritiekpunt op het practicum was, en hij antwoordde dit: “Het practicum slaagt erin om de zeer hoognodige verbetering van academische vaardigheden van de wijsbegeertestudent op schoolse wijze te bewerkstelligen, maar ondermijnt daarbij één van de meest waardevolle baten van het studeren aan de universiteit: de verantwoordelijkheid van de student.”

Het lijkt wel alsof onze faculteit haar studenten geen verantwoordelijkheid meer durft te geven, haar studenten niet meer durft te laten falen. Vinden sommige studenten essays schrijven moeilijk? Dan geven we toch een lesje over kernzinnen en publiekstrekkers. Vinden studenten het begrijpen van de teksten lastig? Dan gaan we die toch samen samenvatten. Alleen werkt deze methode uiteindelijk in het nadeel van zowel de studenten als de universiteit. De universiteit is een soort overbezorgde ouder geworden, die haar studenten overal voor wil beschermen. Maar kinderen die nooit een keer hard gevallen zijn, leren ook niet om daarna weer op te staan. Kinderen die nooit hun vingers hebben gebrand, leren niet voorzichtig om te gaan met vuur. En studenten die geen onvoldoende krijgen als ze een slecht essay inleveren, omdat dit essay eerst nog twee uur lang in het practicum verbeterd wordt? Die leren juist niet om beter te schrijven.

Door de invoering van het practicum gaat het niveau van de studie filosofie omlaag. Kostbare werkcolleges worden opgeofferd om de studenten die het slechtst presteren alsnog de studie te laten halen. De betere studenten zouden veel meer leren van een inhoudelijk werkcollege. De slechtere studenten eigenlijk ook: alles wat ze in het practicum doen om de studie alsnog te halen kunnen ze ook zelf doen. Wil jij je essay bespreken met je medestudenten? Ga je gang, niemand houdt je tegen. Heb je je essay of tentamen niet gehaald? Dan kun je dit altijd inzien en bespreken met een docent. Als studenten die veel moeite hebben met de studie dit daadwerkelijk zouden doen, hebben ook zij het practicum niet meer nodig. Maar als zij zelf deze moeite niet willen nemen om hun studie te halen, dan zou de universiteit dat al helemaal niet moeten doen.

Het concept learning community klinkt misschien interessant, maar in werkelijkheid voegt dit op onze faculteit niks toe. Zoals ik uitlegde zijn deze communities bedoeld om een veilige, kleinschalige leeromgeving te scheppen. Dit is op onze faculteit echter helemaal niet nodig, omdat de studie filosofie hier zo klein is. De studenten kennen elkaar goed of leren elkaar snel kennen. Bovendien is er voor het sociale aspect van de studie al een studievereniging. Voor het scheppen van sociale cohesie is zo’n learning community daarom ook overbodig. Het concept van de learning communities voegt dus niks toe aan het practicum.

Misschien moet het practicum niet op een andere manier worden ingevuld, misschien moet het wel volledig worden afgeschaft.

Over filosofen

Op dit moment neemt het practicum een onevenredig groot deel van het curriculum in beslag. Twee jaar lang moeten studenten elk blok het vak practicum filosofie volgen. Door deze focus op het practicum lijkt het wel alsof we de ware essentie van de studie filosofie uit het oog verloren zijn. Wat maakt nou eigenlijk iemand tot een filosoof? Academische vaardigheden zijn belangrijk voor elk wetenschappelijk discipline, dat is zeker waar. Elke filosoof moet deze ook zeker beheersen. Maar het goed beheersen van bepaalde vaardigheden vormt niet de essentie van de ware filosoof. De ware filosoof verdiept zich, naar mijn mening, in de verschillende takken van de filosofie. Hij of zij leest teksten en beschouwt teksten, leest deze teksten nog een keer, neemt argumenten in overweging of verbaast zich simpelweg over de schoonheid en complexiteit van een redenering. De filosoof verdiept zich in de wereld, of dit nou op geschiedkundig, ethisch, politiek of natuurwetenschappelijk vlak is. Hij doet dit door in de voetsporen van zijn voorgangers te treden, door hun werken te lezen en deze teksten, en daarmee een stukje van de wereld daadwerkelijk te begrijpen. Als hij dat eenmaal kan, dan kan de filosoof zelf gaan filosoferen, een bijdrage leveren aan de ontzagwekkende hoeveelheid filosofisch werk van zijn voorgangers door zijn eigen onderzoek. Of hij trekt de wijde wereld in met zijn opgedane kennis, om misschien wel iets heel anders te gaan doen.

De jonge filosofen die in het eerste jaar aantreden zijn natuurlijk nog niet meteen in staat perfecte essays in te leveren of de essentie van sommige teksten volledig te begrijpen. Daarbij mogen ze ook best geholpen worden: dit zou kunnen gebeuren in de reguliere werkcolleges, of er kan een vak ‘filosofische vaardigheden’ heringevoerd worden. Dit zou dan een apart vak moeten zijn, wat alleen in het eerste blok van het eerste jaar gegeven wordt. Andere vakken hoeven op deze manier niet te lijden onder dit vak, maar kunnen dan juist hogere eisen aan de studenten stellen. Op dit moment weerhoudt het practicum filosofie studenten ervan echt goede filosofen te worden: door het practicum verschuift de focus van ware filosofie naar praktische vaardigheden. Doordat het practicum sommige van de werkcolleges vervangt, wordt er minder diep ingegaan op de teksten die studenten moeten lezen. Hier lijden alle vakken in het eerste en tweede jaar onder. Bovendien leren studenten nu niet om hun eigen verantwoordelijkheid te nemen. Ze worden twee jaar lang aan het handje genomen in hun eigen veilige learning community.

Een practicum filosofie, het blijft vreemd klinken. Het roept bij mij associaties op van ambtenaren die al veertig jaar lang aan hetzelfde bureau zitten en dan opeens moeten gaan flexwerken. Of van bejaarde koks in een familierestaurant die opeens moleculair gaan moeten koken. De tweeduizend jaar oude Philos Sofia, verdiept in haar boeken, die opeens een practicum opgedrongen krijgt.

Het practicum: laat het waar het thuishoort, bij experimenten in de exacte wetenschappen, en geef ons filosofen onze boeken, onze werkcolleges en onze verantwoordelijkheid terug.

Facebooktwittertumblrmail

Femke is tweedejaarsstudent wijsbegeerte aan onze faculteit en schrijft sinds een jaar voor de Qualia.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *