De Ware Alphamale Over een strijd tussen twee culturen

De intellectueel. Wie kent hem niet? Iedere situatie weet hij te duiden met een relevant citaat uit Dostojevski, Shakespeare of Camus. Hij is even intelligent als belezen. Hij is welbespraakt en gaat geen kans uit de weg om politieke of maatschappelijke ontwikkelingen te bediscussiëren met gelijkgestemden. Is daarmee alles gezegd? Volgens schrijver C.P. Snow niet: wij zouden ‘de intellectueel’ te veel associëren met de letteren: ook de exacte wetenschappen hebben wapenfeiten te bieden die voor onze intellectuele bagage onmisbaar zijn.

Door Remco van der Meer

Volgens een anekdote bezocht de Oxfordse historicus A. L. Smith eens een diner in Cambridge, waar het gezelschap samengesteld was uit een mengelmoes van academische achtergronden. Hij was nog al sociaal ingesteld en probeerde een gesprek te voeren met zijn tafelgenoten. Hij opende tegen de man tegenover hem, maar deze gaf niet meer thuis dan een grom. Een tweede poging, ditmaal gericht op de man links van hem, werkte niet veel beter. De decaan van de desbetreffende gastfaculteit zag Smiths verbazing, en fluisterde hem vervolgens in het oor: “Oh, those are mathematicians! We never talk to them.”

Dit verhaal is volgens Snow een typisch voorbeeld van het dedain waarmee een bepaalde groep intellectuelen tegen hun tegenhangers aankijkt. Snow maakte in zijn essay ‘The Two Cultures’ een grof onderscheid tussen de opvattingen van academici uit enerzijds the humanities en anderzijds the sciences. Volgens Snow moet je aan een intellectueel uit de letteren niet snel toegeven dat je van Shakespeare en andere literaire werken weinig kaas gegeten hebt. Men verwacht een bepaalde mate van belezenheid waar ieder intellectueel aan moet voldoen. ‘Cultuur’ is voor hen slechts de traditionele cultuur: bepaalde (Westerse) filosofie, literatuur en geschiedenis. Snow bewandelde zelf een gulden middenweg: hij studeerde natuurkunde, maar werd politicus en schreef romans.

Snow nam de proef op de som en ontpopte zich op enkele feestjes tot een ware Socrates. Hij vroeg aan enkele van de aanwezige ‘intellectuelen’ of zij hem konden vertellen wat de tweede wet van thermodynamica is. Daarbij stonden de belezen professoren plotseling met hun mond vol tanden. Moderne natuurkundige ontdekkingen brachten een ongelooflijk inzicht in de wereld met zich mee, zo schreef Snow, maar de meerderheid van de slimste mensen in de westerse wereld had er ongeveer zoveel benul van als hun voorouders uit de steentijd moeten hebben gehad. Bij academici uit de exacte wetenschappen nam Snow het tegenovergestelde waar. Schoorvoetend gaven ondervraagde wetenschappers aan Snow toe bar weinig gelezen te hebben. Één zei ‘ooit iets van Dickens geprobeerd te hebben’ maar dat was niet bevallen. Het is niet dat men niet geïnteresseerd is in sociale of maatschappelijke zaken, maar ze zien het belang van de traditionele cultuur voor die zaken niet in. De wetenschapper houdt zich met feiten bezig. Hij licht met behulp van zijn koele ratio het sluier op dat de natuur over de waarheid heeft gelegd. Het is een kwestie van tijd en dan zullen we alles kunnen verklaren en berekenen. De wetenschappers zouden als gevolg van deze opvatting tevens een stuk optimistischer zijn over de menselijke vooruitgang. Existentieel geneuzel lost niets op: als we de grote problemen van de mensheid willen oplossen, zouden we simpelweg moeten uitzoeken hoe we de voedselproductie kunnen maximaliseren. In de geesteswetenschappen meent men daarentegen literaire waar- en onwaarheden gevonden te hebben die diepe dingen zeggen over het menselijk bestaan. Waarheden die leiden tot moeilijke nachtelijke overpeinzingen, muziek die ons in vervoering brengt en gedichten die onze ziel bij de strot grijpen. Met zulke tegenstrijdige opvattingen is het eigenlijk bijna onvermijdelijk dat wederzijds onbegrip was ontstaan.

Zonder de scientisten te bevooroordelen moet ik toegeven dat hier geen sprake is van sterke empirische onderbouwing. Toch zijn de observaties van Snow intuïtief wel waardevol. De bekende publieke intellectuelen zijn veel vaker alpha’s dan bèta’s. Arnon Grunberg schrijft zijn Volkskrantcolumn niet vanwege zijn vaardigheid met wiskundige problemen. We moeten de boel wel een beetje overdrijven, maar anekdotische bevestiging voor bovengenoemde clichés is makkelijk gevonden. Ik ben niet voldoende thuis in het wereldje van het wetenschappelijk personeel van onze faculteit om hún houding te kunnen typeren, dus daar zal ik mijn vingers niet aan branden. Toch denk ik dat ook studenten deze stereotypen enigszins zullen herkennen. Voorbeelden zijn niet moeilijk te bedenken: de neurowetenschapper kan zich afvragen waar die zweverige philosophers of mind in Godsnaam zo moeilijk over doen, de letterenstudent begrijpt misschien niet waarom men zich op het Zernike met van die abstracte sommetjes bezig wil houden.

Van zo’n karikaturale minachting als die onder de elitaire Oxbridge-professoren van Snow is misschien geen sprake, maar volgens mij wel van enig onbegrip. Iedere filosofiestudent zal een confrontatie met kritische bèta’s hebben meegemaakt: “wat kun je daarmee worden dan?”. Dergelijke vragen kunnen het geloof in de humanities soms even doen wankelen. Het verschil in loonsverwachting zou tevens een oorzaak kunnen zijn van een herkenbaar geesteswetenschappelijk calimerocomplex. Voor sommigen was de culturele apartheid ook bij het propedeusevak logica voelbaar. Die smug bastards met hun stoere B-deel. Natuurlijk kennen wij zelf de waarde van de teksten die wij doorploeteren, de essays die wij schrijven en de colleges die wij bijwonen. Maar die is vaak moeilijk uit te leggen aan wie hier niet studeert. Die dagelijkse fietstocht naar het lelijke Zerniketerrein missen we trouwens zeker niet. Samen met enkele andere alphafaculteiten zitten wij prima hier, in het historisch centrum.

Hoe dan ook, dat de twee academische partijen elkaars praktijken niet altijd op waarde kunnen schatten ervaren we allemaal. Het kan mede het gevolg zijn van de intrichting van de middelbare school, maar alpha’s weten vaak weinig af van belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen. Ja, iedereen heeft wel eens gehoord van ‘relativiteit’ en Isaac Newton’s vondsten waren vast briljant, maar de inhoud van deze theorieën blijft duister voor wie ze niet expliciet bestudeert. Het lijkt wel enigszins te kloppen dat ons beeld van ‘de intellectueel’ te eenzijdig is. Het woord ‘belezen’ impliceert immers al welke kennis respect verdient.

Het is misschien een beetje laf, maar het is Snow niet te doen om het vellen van een sappig waardeoordeel. Het punt is dat de wetenschappelijke wapenfeiten van Einstein en Rutherford volgens Snow dezelfde erkenning verdienen als het klassieke canon aan literaire en filosofische prestaties. Niet dat men de wetenschappen niet respecteert, maar ze worden soms te veel gezien als een praktisch en technisch hulpmiddel. Wie wil pretenderen een goede algemene kennis te hebben zou zich daarom ook het één en ander af moeten weten van de bètawetenschappen. Uiteindelijk pleit Snow voor een meer gemengd onderwijs. De inrichting van het middelbare schoolsysteem is een debat op zich, maar meer interdisciplinair begrip zou hoe dan ook geen kwaad kunnen. In de tussentijd blijft het verschil tussen de koffie op het Zernike en dat uit onze automaat echter een pijnlijk gegeven.

Facebooktwittertumblrmail

Remco is onderzoeksmasterstudent en voert graag de discussie over het 'waarom?' van de universiteit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *