Vergeten filosoof: Margaret Cavendish Waarom appels ook rationeel zijn

Dat het vroegmoderne tijdperk thuis was aan vele grote wijsgeren en wetenschappers staat buiten kijf. De traditionele canon is echter nooit compleet, en zeker vrouwelijke denkers vallen vaak buiten de boot. Eén zo’n onderbelichte denker is Margaret Cavendish, een materialist uit de 17e eeuw die in haar denken het debat aanging met prominente figuren als Thomas Hobbes en René Descartes.

Door Lonneke Oostland

Een persoon kan worden vergeten op verschillende manieren. Je kan iemand ooit belangrijk hebben gevonden maar diegene weer vergeten zijn, of je kan vergeten zijn iemand überhaupt belangrijk te vinden. Dit laatste is het geval bij Margaret Cavendish. Hoewel er – voor een vrouwelijke filosoof – in de academische wereld relatief veel onderzoek naar haar wordt gedaan, moet ik vaak uitleggen aan studiegenoten wie ze is en wat haar theorie behelst. Tijd om dat voor eens en voor altijd goed te doen. Tijd voor een vergeten filosoof. 

Levensloop
Margaret Cavendish (toen nog Margaret Lucas) werd in 1623 geboren in Engeland als jongste van acht kinderen. Ze kreeg een traditionele nette meisjesopvoeding waarbij het intellect niet bepaald voorop stond. Dat was ook wel logisch, want de rationele vermogens van vrouwen werden destijds vergeleken met die van dingen zoals appels, en ik snap ook wel dat je een appel niet naar het gymnasium stuurt. Margaret sprak daarom geen Latijn en was niet geleerd in de wetenschap of de filosofie. Op tweeëntwintigjarige leeftijd trouwt ze met William Cavendish, die later de hertog van Newcastle werd. Ze heeft het goed voor elkaar, want naast het feit dat hij een immens hoge status en veel geld heeft, laat hij haar kennis maken met een aantal intellectuelen (including niemand minder dan Thomas Hobbes) die zich bezig hielden met filosofie. Ze werd hier enorm enthousiast over en begon haar eigen theorieën te bedenken, die uitweiden naar natuurfilosofie, metafysica, en ‘feminisme’ (of in ieder geval: gender). Hier schreef ze zelfs boeken en essays over, die ze signeerde met haar eigen naam. Iets wat in die tijd niet vaak werd gedaan door vrouwen die zich waagden aan de filosofie.

Materialisme
Wanneer ik haar Philosophical Letters lees, houd ik altijd in mijn achterhoofd dat volgens Cavendish alles materie is. Ze was een enorm strenge materialist. Dit betekent dat alles in de natuur materieel is, dus ook dingen zoals onze ziel. Hierin wijst ze Descartes volledig de deur. In haar argumentatie merk je duidelijk Hobbes’ invloed. Hoewel ze ontkent met Hobbes direct gesprekken te hebben gevoerd over dit onderwerp, zegt ze dat ze hem hierover heeft horen praten met haar man. De term ‘substantie’ en de term ‘onbelichaamd’ zijn niet met elkaar te combineren, dit kan je je niet inbeelden. Die combinatie verwijst simpelweg nergens naar. Hobbes schrijft in de Leviathan: “[M]en make a name of two names, whose significations are contradictory and inconsistent; as this name, anincorporeal body,’ or, which is all one, anincorporeal substance (…) (hoofdstuk 4). Iets immaterieels bestaat dus niet in de natuur, want de twee termen zijn intrinsiek niet met elkaar te combineren. Cavendish gelooft wel in God als een bovennatuurlijk immaterieel wezen, maar ze wil graag theologie en natuurfilosofie van elkaar scheiden. God heeft de natuur geschapen, en dat was het. Ik gok dat ze dit een beetje doet uit bescheidenheid. God is zo groot en geweldig en machtig, als ze goddelijkheid en de natuur met elkaar zou combineren, zou dat bijna hoogmoedig zijn. De natuur kan namelijk nooit zo volmaakt zijn als God (en dus ook niet immaterieel).

 Beweging
Vergelijkbaar met Descartes’ natuurfilosofie, is de wereld volgens Cavendish een oneindig materieel geheel gevuld met oneindig veel materiële deeltjes. Hoe die deeltjes bewegen, maakt hoe de wereld er uit ziet. Maar hoe werkt die beweging eigenlijk? Volgens Descartes is beweging een bepaalde eigenschap van een substantie, net zoiets als de omtrek van een iets. Wanneer iets in beweging wordt gezet, dan zal dat ding die eigenschap hebben totdat er iets is wat weerstand zal bieden, en er een andere beweging ontstaat. Maar hoe kan iets in beweging worden gezet als het een modus is van een substantie? Als ik een bal gooi, dan kan mijn hand niet de beweging ‘overdragen’ aan de bal. Het is immers een bepaalde eigenschap, die – net als de omtrek van een lichaam – niet ‘weggegeven’ kan worden. Bovendien zegt Cavendish dat alles materie is, en als mijn hand beweging als eigenschap over zou dragen aan de bal, dan zou mijn hand qua gewicht en dichtheid veranderen. Het verliest immers een aantal materiedeeltjes. Maar we zien duidelijk in de werkelijkheid dat mijn hand dan niet slapper wordt. Er moet dus een andere verklaring zijn voor het in beweging komen van deeltjes.

Zelfbewegende materie
Sommige filosofen, zoals Nicolas Malebranche, zouden voor het Occasionalisme kiezen als verklaring van beweging. Het idee dat God er voor zorgt (of zorgde) dat bij bepaalde gelegenheden iets gebeurt. Als mijn hand de bal gooit, dan is dat de gelegenheid voor de bal om te gaan bewegen. Ook deze optie wijst Cavendish af, aangezien ze theologie en natuurfilosofie van elkaar gescheiden wilt houden. Daarom komt ze met haar eigen oplossing. De deeltjes bewegen zichzelf. Wanneer ik een bal gooi, dan gaan de materiedeeltjes in de bal zichzelf bewegen waardoor ze even in de lucht zweven en dan weer zullen vallen. Materiedeeltjes zijn namelijk deels ‘levend’. Ze deelt een deeltje op in drie materiële gradaties, als het ware: onlevende materie (inanimate), levende sensitieve materie (animate sensitive) en levende rationele materie (animate rational). De laatste twee bewegen zichzelf, de eerste niet. Maar deze drie zijn helemaal door elkaar gemixt, waardoor de niet-zelfbewegende zal meebewegen met de zelfbewegende materie. Hier is nog steeds de occasionele oorzaak belangrijk. Dat houdt in dat er nog steeds wel een gelegenheid is voor die deeltjes om zich op een bepaalde manier te gaan bewegen. Als mijn hand de bal niet gooit, dan zullen die deeltjes in de bal ook niet zo gaan bewegen. Er is dus een gelegenheid, en de deeltjes zullen daarop inspelen. Want met hun sensitieve eigenschap merken ze dat die gelegenheid er is, en met hun rationele eigenschap kunnen ze bedenken wat ze ermee moeten doen.

Rationaliteit
Je zou nu misschien kunnen denken: als die materiële deeltjes zichzelf bewegen, hoe kan het dan dat ze doen wat we verwachten? Dat die bal dus inderdaad in de lucht zweeft en gaat vallen? Nu komt het tweede aspect wat ik altijd in mijn achterhoofd houd als ik haar lees, en wat dat fenomeen zou kunnen verklaren: de natuur als geheel is rationeel. Het is alsof er een aantal rationele normen bestaan in de natuur, waar de materiële deeltjes zich aan zullen houden. Je kan het vergelijken met een sport zoals voetbal. Er zijn allerlei normen over hoe het moet en over hoe het het leukst en het tofst zal werken. Alle voetbalspelers moeten zich daar aan houden, en – hoewel je kan betwisten of voetbal de meest handige keus is voor deze analogie – dat zullen ze over het algemeen ook doen. Zo werkt de natuur ook. De natuur vormt een rationeel geheel met spelregels waar de materiële deeltjes zich aan houden. Daar willen ze en kunnen ze zich ook aan houden, want we hebben net gezien dat de materiële deeltjes een mate van rationaliteit met zich mee dragen. Als het dus deel is van de rationele natuur dat een bal pheerst in de lucht zweeft en daarna valt nadat deze is gegooid door een persoon, dan zullen de materiële deeltjes in die bal er (als het goed is) voor zorgen.

Het probleem van identiteit
Het hele idee dat materiële deeltjes een bepaalde mate aan rationaliteit en bijna een soort ‘welwillendheid’ met zich mee dragen om zich te gedragen op een bepaalde manier, lost best wat problemen op die mechanisten zoals Descartes hebben. Als alles alleen maar bestaat uit deelbare materiële deeltjes, hoe kan een lichaam dan ooit een eenheid zijn? Volgens Descartes is iets één ding wanneer de deeltjes van dat ding tegen elkaar aan gedrukt worden en met eenzelfde snelheid eenzelfde richting op bewegen. Maar is dat wel genoeg? Stel dat we twee stenen met hetzelfde gewicht op hetzelfde moment dicht tegen elkaar aan van een gebouw af zouden gooien. Dan zouden ze dezelfde kant op bewegen, met dezelfde snelheid, en zouden ze tegen elkaar aan bewegen. Vormen die stenen dan ineens een eenheid? Dit lijkt niet voldoende om identiteit te verklaren. Cavendish heeft dit probleem niet. De materiële deeltjes in een ding dragen een bepaalde mate van rationaliteit met zich mee die ervoor zorgt dat ze als het ware ‘snappen’ dat ze bij elkaar horen en een identiteit vormen. Een steen blijft een steen, want het bestaat uit materiële deeltjes die snappen en accepteren dat ze een steen configureren. Cavendish zal dus in principe hetzelfde zeggen als Descartes, in de zin dat één ding bestaat uit allemaal materiële deeltjes die met eenzelfde snelheid eenzelfde richting op bewegen. Ze voegt er alleen aan toe dat die materiële deeltjes daar zelf voor zorgen. Zo hoeft Cavendish zich dus niet in moeilijke bochten te wringen om een concept zoals identiteit te verklaren.

Gelijkheid
Er is nog een voordeel aan haar theorie, en dat heeft weer te maken met het idee dat alles uit materiële (deels rationele) deeltjes bestaat. Dit voordeel heeft te maken met gelijkheid. Volgens Descartes heeft alleen de mens rationaliteit. Dit koppelt hij aan het feit dat we kunnen spreken en een taal hebben. Alles wat dat niet kan is volgens hem niet rationeel. Daarom zijn dieren en planten redeloze dingen en zijn het puur machines. Dieren voelen volgens hem ook niks: het zijn maar een machines. Cavendish gaat hier in meerdere brieven fel tegen in. ‘Taal’ of ‘spreken’ is helemaal niet vereist om rationeel te zijn. Alles bestaat uit dezelfde soort stof, en die stof is deels rationeel. Dit betekent dat alles in een bepaalde mate rationeel is. En omdat die stof ook zelfbewegend is, betekent het ook dat alles een mate van vrije wil met zich mee draagt om antwoord te geven aan de rationele natuur. Ze lijkt het bijna arrogant te vinden om te beweren dat dat niet zo is. Zo zegt ze in haar Philosophical Letters: “(…) if a man (who is but a single part of nature) hath given him by God the power and a free will of moving himself, why should not God give it to Nature.” Dit betekent dat zelfs de meest simpele grasspriet een bepaalde mate van rationaliteit en vrije wil heeft: hij bestaat namelijk uit rationele materiële deeltjes die zichzelf bewegen. Dit is voordelig voor het beeld van dieren, maar ook die van vrouwen. Vrouwen zijn net zo rationeel als mannen, zegt ze, maar ze hebben nooit de mogelijkheden gekregen om die ratio te ontwikkelen.

Hoewel ik soms nog steeds wordt verrast door bepaalde kanten die ze op kan gaan in haar Philosophical Letters, begin ik steeds meer het grote plaatje van haar theorie te zien, en dat grote plaatje is ontzettend interessant. Ze combineert allerlei invloeden van ‘grote’ filosofen tot haar eigen filosofie die – zo zegt ze zelf – helemaal nieuw is. We hebben ook gezien dat haar theorie best wel voordelig is om problemen op te lossen die andere filosofen niet kunnen oplossen. Daarnaast is het gewoon ontzettend leuk om haar te lezen. Ik hoop dat je bij het lezen van deze korte bespreking van Cavendish inziet dat er hele interessante filosofie te vinden is in hoeken waar je het in eerste instantie misschien niet verwacht. Als je dit interessant vond en je wilt meer lezen over Cavendish en je bent eigenlijk ook wel benieuwd naar andere vrouwelijke filosofen, dan raad ik je aan om Women Philosophers of the Seventeenth Century van Jacqueline Broad te lezen. Ga je volgend jaar het tweede jaar van je bachelor in, dan heb je al helemaal geluk: Han Thomas Adriaenssen laat haar misschien wel kort terugkomen in een cursus Geschiedenis van de Filosofie.

 

 

Facebooktwittertumblrmail

Lonneke was redacteur van de winter van 2014 tot aan de zomer van 2016. Ze heeft een grote passie voor feministische kwesties en natuurlijk de wijsbegeerte.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *