De kleur van de lucht

Over kleur, taal, onze ervaring van de wereld en de samenhang van deze drie, met in de hoofdrol een raadsel over een klein meisje en de kleur blauw.

Door Berend Pot

Ik zag laatst op een oude barometer twee mogelijkheden: ‘Regen’ en ‘Mooi’ Nu vind ik dat een grauwe, regenachtige dag ook heel mooi kan zijn, maar blijkbaar hebben we ooit besloten dat dat niet zo is. Het weer is alleen mooi als de zon schijnt, het droog is, en de lucht mooi helder is. Op het moment dat ik dit schrijf, is het buiten sinds lange tijd weer ‘mooi’ weer. We hebben sinds de laatste oliebol met smart en klaagzang zitten wachten op dit moment, en we zullen ervan genieten totdat we, geprikkeld door de eerste herfstblaadjes, weer beginnen te fantaseren over de gezellige chocoladeletters en kerststollen.

Dit mooie lente- en zomerweer gaat doorgaans gepaard met een mooie, heldere, blauwe lucht. Wie heeft er niet eens op zijn rug in het gras gelegen, naar de wolken gekeken, en zich verwonderd over die mooie, diepblauwe lucht?

Toch is er iets eigenaardigs aan die blauwe lucht.

De wereld gekleurd door taal

In zijn boek Through the Language Glass: Why the World Looks Different in other Languages beschrijft Guy Deutscher allerlei opvallende correlaties tussen de taal die we spreken en de manier waarop we de wereld ervaren. Zo spreekt hij over een samenleving waarin men in hun coördinatie alleen maar geografische termen gebruiken. Ze spreken dus niet over hun linkerhand maar over hun westelijke hand, die meteen verandert in hun oostelijke hand op het moment dat ze zich omdraaien. Om dit betrouwbaar te kunnen doen, beschikken ze over een uitmuntend vermogen om feilloos de windrichtingen te kunnen bepalen, waar ze ook zijn. Ik weet zelf nauwelijks waar de zon opkomt, en ik gebruik alleen windrichtingen als ik ook daadwerkelijk een kaart voor me heb. Nou ben ik misschien een extreem geval, maar het mag duidelijk zijn dat we dit geografisch inzicht niet hebben in Nederland. Dat hoeft ook niet, want we spreken altijd in termen van links, rechts, voor en achter.

Taalgebruik heeft dus invloed op de vaardigheden die je ontwikkelt, maar heeft het ook invloed op hoe je de wereld fenomenologisch ervaart? Deutscher besteedt een groot deel—ongeveer een derde—van zijn boek aan hoe taal en cultuur invloed hebben op de ervaring van kleur. Homerus’ bekende wijnkleurige zee komt langs, de ontwikkeling van kleurtermen in de geschiedenis van een taal wordt besproken, en er wordt zelfs een klein experimentje gedaan door Deutscher zelf. Vooral hierover wil ik jullie wat vertellen, want het resultaat fascineert me al jaren.

Deutscher beschrijft een onschuldig experimentje dat hij uitvoerde met zijn jonge dochtertje Alma. Toen hij Alma hielp met het leren van de kleuren, besloot Deutscher om het opzettelijk nooit over de kleur van de lucht te hebben. Het resultaat was verbluffend, en ik wil jullie deze passage niet onthouden:

Alma recognised blue objects correctly from the age of eighteen months, and started using the word ‘boo’ herself at around nineteen months. She was used to games that involved pointing at objects and asking what colour they were, so I started occasionally to point upwards and ask what colour the sky was. She knew what the sky was, and I made sure the question was always posed when the sky was well and truly blue. But although she had no problems naming the colour of blue objects, she would just stare upwards in bafflement whenever I asked her about sky, and her only answer was a ‘What are you talking about?’ look. Only at twenty-three months of age did she finally deign to answer the question, but the answer was … ‘white’ (admittedly, it was a bright day). It took another month until she first called the sky ‘blue’, and even then it had not yet become canonically blue: one day she said ‘blue’, another day ‘white’, and on another occasion she couldn’t make up her mind: ‘blue’, then ‘white’, then ‘blue’ again. In short, more than six months had passed from when she was first able to recognise the blue objects confidently until she named the blueness of the sky. And it seems that her confusions were not entirely over even by the age of four, because at this age she once pointed at the pitch-black sky late at night and declared that it was blue.”1

Vreemde kleuren

Ik kan me zo voorstellen dat iemand die voldoende kritisch is meteen iets opvalt: Het is één klein meisje dat moeite heeft met één specifiek blauw iets, wat kun je hier in hemelsnaam uit concluderen? Nou, misschien wel niets, misschien is er wel gewoon iets mis met dit specifieke meisje. Toch zijn er meer aanwijzingen dat er iets eigenaardigs is aan de kleur blauw.

Even tussendoor, de lucht is wel écht blauw. Door allerlei interessante fysische verschijnselen (welke je kunt googelen) heeft het merendeel van het licht dat op ons netvlies valt wanneer we naar een heldere lucht kijken een ‘blauwe’ frequentie, dus het is helemaal niet gek dat we de lucht zien als blauw. Het is ook niet controversieel dat de lucht blauw is.

Maar toch, zoals gezegd, is er iets vreemds aan de kleur blauw. Ik sprak al even over Homerus, die de zee de kleur van wijn toekende. Toch is het heel waarschijnlijk dat in die tijd zowel wijn als de zee dezelfde kleur had als nu en de ogen van Homerus even ontwikkeld waren. Desondanks waren Homerus’ kleurbeschrijvingen wel vaker vreemd: hij noemde honing groen en schapen paars. Als dit niet aan zijn ogen lag, en niet aan de voorwerpen zelf, wat kan hier de oorzaak van zijn?

Deutscher heeft zelf wel een vermoeden in welke richting we moeten zoeken, en de titel van zijn boek is een hint. Het is hoogstwaarschijnlijk dat taal hier een cruciale rol speelt, maar op welke manier? Hoe je het ook went of keert, Homerus noemt de zee niet slechts bij een andere naam dan ‘blauw,’ hij noemt deze wijnkleurig. Een soortgelijk, maar nog vreemder verschijnsel, besproken door Deutscher, is de samenleving die de lucht zwart noemt. Ook overdag. Ze kenden een heldere hemel dezelfde kleur toe als vies, modderig water. Hoe konden deze mensen niet het verschil zien tussen de kleur van de zee en de kleur van wijn; tussen de kleur van de heldere lucht en die van iets pikzwarts?

Het talige kleurenspectrum

Het antwoord hierop lijkt te maken te hebben met de manier waarop we het kleurenspectrum opdelen doormiddel van onze taal. Dit blijkt niet alleen daadwerkelijke gevolgen te hebben voor de toekenning van kleurtermen aan dingen, maar ook voor hoe goed we zijn in het onderscheiden van kleuren die in het spectrum naast elkaar liggen.

Denk even terug aan de mensen die de windrichtingen feilloos konden achterhalen omdat ze al hun hele leven in die termen dachten en spraken. Bedenk nu een bevolking die een bepaald gebied op het kleurspectrum opsplitst met meer kleurtermen dan dat wij dat doen. Toevallig bestaat zo’n bevolking. De Russen hebben twee verschillende basale kleurtermen voor wat wij ‘blauw’ noemen. Nou blijkt het dat Russen veel beter zijn dan wij in het onderscheiden van twee verschillende tinten blauw die naast elkaar, maar aan beide kanten van deze taalgrens liggen. Ergens woorden voor hebben gaat dus hand in hand met het beter kunnen onderscheiden van deze dingen. Maar wat heeft dit met de wijnkleurige zee en de zwarte lucht te maken?

Nou, het blijkt dat de kleurterm ‘blauw’ relatief nieuw is. De term ‘blauw’ ontstaat pas heel laat in de ontwikkeling van een taal, later dan groen en geel, en zeker later dan rood. Rood is juist doorgaans de eerste, en laat rood nou net de kleur zijn van de dingen die in de natuur het belangrijkst en het meest opvallend zijn, zoals bloed en veel fruitsoorten. De kleur van de zee en de lucht, daarentegen, is compleet irrelevant. Blauw wordt pas relevant als kleur op zich wanneer je veel in relevante aanraking komt met de kleur, doorgaans wanneer een bevolking in staat is om zelf blauwe voorwerpen te maken. De Egyptenaren schijnen de eersten te zijn geweest die een woord voor blauw hadden, en ook de eersten die een blauwe verf konden maken.

Nu is dit allemaal heel interessant, maar het lost ons hoofdprobleem niet echt op. Alma wist heel goed wat blauw was, kende het woord ervoor, en was er constant mee in aanraking gekomen. Hoe kon Alma dan de kleur van de lucht niet benoemen, als deze duidelijk blauw is, en ze hier een woord voor paraat had?

Het kleurende brein?

Voor zover ik weet, is er geen duidelijk antwoord op deze vraag. Toch wil ik zo vrij zijn om zelf een hypothese op te stellen.

Hiervoor wil ik niet naar de golflengte van licht kijken, noch naar taal. Ik vermoed dat het antwoord te vinden is in het brein. Binnen de filosofie van de geest en de neurowetenschap vindt er al ongeveer twee decennia een ontwikkeling plaats die het brein een veel actievere rol toekent in de waarneming. In plaats van een min of meer passief brein, die ruwe perceptuele data omzet tot een innerlijke representatie van de werkelijkheid, lijkt het plausibeler dat onze waarneming een soort ‘gecontroleerde hallucinatie’ is: Het brein voegt actief toe aan de kale waarneming.

Een voorbeeld hiervan is de sensorimotor account of vision. Hierin wordt onder andere gesteld dat het waarnemen van kleur meer behelst dan slechts het opvangen van licht met een bepaalde golflengte. Belangrijk is het verschil in kleur tussen het oppervlakte waar je direct naar kijkt en de oppervlakten hier om heen. Daarnaast spelen de veranderingen in golflengte die specifieke fotoreceptorcellen opvangen, welke plaatsvinden wanneer je je ogen beweegt, een cruciale rol. Dit valt binnen de bredere sensorimotor theorie die grofweg stelt dat de waarneming een actieve ontdekkingstocht van de omgeving is.2

Daarnaast is er het idee van the Bayesian brain. Dit beschrijft een brein dat een waarneming creëert op basis van actieve voorspellingen op microniveau. Verwachtingen over wat kleur is, hoe kleur zich manifesteert, en welke typen oppervlakten doorgaans kleur hebben zijn dan essentieel voor de voorspellingen die je brein maakt.

Beide vormen van een ‘actief brein’ lijken mij aanwijzingen te geven voor waarom de lucht zo’n raar iets is om een kleur aan toe te kennen. Het is heel aannemelijk dat ons brein zelf veel inbrengt bovenop de input die we binnenkrijgen, bijvoorbeeld om een object als een object te herkennen in plaats van als slechts een verschuiving van kleur of diepte. Aangezien objecten het grootste deel vormen van alles wat we zien – we zien de wereld als verzameling dingen – is de manier waarop de hersenen deze objecten construeren cruciaal voor onze waarneming. Daarnaast vormt dit ook de basis van hoe we de wereld conceptueel indelen, en daarmee dus de basis van hoe we dingen benoemen.

Denk nu aan de lucht. De lucht is niet echt een object, het is te groot en te subliem om als eenduidig object te kunnen worden herkend. De lucht is misschien beter te beschrijven als een grote leegte; juist een afwezigheid van duidelijk te herkennen objecten. Het lijkt me niet uitgesloten dat dit een belangrijke rol speelt bij Alma’s falen. Ze heeft geleerd om blauwe objecten waar te nemen als blauw. Wanneer ze gevraagd wordt wat voor kleur de lucht heeft, herkent haar brein de lucht misschien niet eens als iets dat überhaupt binnen de categorie valt van dingen die kleur horen te hebben. Haar ‘What are you talking about?’ reactie lijkt nu helemaal niet zo eigenaardig.

Omdat de lucht een grote verzameling is van licht met verschillende golflengtes, dat op verschillende manieren breekt en verstrooid raakt, is het blauwe van de lucht ook minder onderscheiden dan het blauwe van een felblauw stuk speelgoed. Dit verklaart wellicht Alma’s moeite om de juiste kleur toe te kennen.

Ten slotte, waarom noemde Alma de lucht blauw toen het donker was? Misschien zag ze de lucht daadwerkelijk als donkerblauw omdat haar hersenen nu wisten dat de lucht blauw behoort te zijn, waardoor haar hersenen de lucht als donkerblauw construeerden. Of misschien herkende ze de vraag gewoon en wist ze welk antwoord gezocht werd.

Noten:

1: Deutscher, Guy. Through the Language Glass: Why the World Looks Different in other Languages. Arrow Books. 2011. 71-2.

2: O’Regan, J. Kevin & Noë, Alva (2001). “A sensorimotor account of vision and visual consciousness.” Behavioral and Brain Sciences 24 (5): 883-917.

Facebooktwittertumblrmail

Berend Pot is derdejaars student filosofie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *