De immigrant en de robot als Scylla en Charybdis van de globalisering Of: waarom zouden we moeten werken voor ons geld?

Het is binnenkort gedaan met de maatschappelijke middenklasse in Europa. Deze ruggengraat van de naoorlogse verzorgingsstaat gaat de komende decennia steeds zwaarder gebukt onder de last van concurrentie van robots enerzijds en migranten anderzijds. Politici kunnen de discussie over deze effecten van globalisering niet langer uit de weg gaan en moeten fundamentele politiek-filosofische principes ter discussie durven stellen: waarom zouden we in 2050 nog werken voor ons geld?

Door Jan Ybema

Vroeger was de toekomst beter. Dat is in ieder geval een sentiment waar een groeiend deel van de Europese bevolking mee behept is, getuige de aanhoudende opmars van bewegingen en partijen aan de randen van het politieke spectrum. Ter rechterzijde zien we het in een breed scala aan nationalistische anti-immigratiepartijen in vrijwel alle (West-)Europese landen en ter linkerzijde duiken oud-links-achtige partijen op als Syriza en Podemos in Griekenland en Spanje, terwijl in eigen land de SP als een representant in die hoek kan worden beschouwd. Wat deze bewegingen aan de randen van het spectrum gemeen hebben, is een afkeer van gevestigde bestuurlijke elites en een tendens om angstgevoelens onder de bevolking te mobiliseren.

Uit de groei van deze partijen moeten we niet, zoals vaak gebeurt, de conclusie trekken dat steeds meer mensen niet goed bij hun hoofd zijn, maar vaststellen dat traditionele partijen niet langer in staat zijn om bevredigende antwoorden te formuleren op de zorgen van de bevolking. Het opgewekte vooruitgangsgeloof van het naoorlogse Europa is inderdaad omgeslagen in een onbestemd gevoel van onzekerheid over de toekomst en een gebrek aan vertrouwen in de staat als oplossingsmechanisme voor maatschappelijke problemen. Waar kwam die naoorlogse opgewektheid vandaan en hoe kon zij vervolgens weer verloren gaan?

Zoals genoegzaam bekend, is sinds de late jaren zeventig om allerlei redenen de klad gekomen in de politieke consensus over de verzorgingsstaat. Het afbouwen van het sociale vangnet, privatisering van overheidsdiensten en deregulering van markten en de financiële sector hadden tot gevolg dat de de vrije markt, die intussen een steeds mondialer karakter begon aan te nemen, weer veel dieper kon ingrijpen in de Europese samenlevingen.

In het licht van de naoorlogse trade-off is het inderdaad paradoxaal dat staten, juist toen processen van globalisering zo begonnen te versnellen en intensiveren, besloten zich meer en meer terug te trekken. In hun ijver om de markt de ruimte te geven, hebben overheden een monster gebaard dat ze zelf niet meer kunnen temmen, getuige hun onvermogen om zeven jaar na de crisis van 2007 ook maar enige hervorming van betekenis door te voeren in de financiële sector.

Nu laten de toename en versnelling van de mobiliteit van personen, goederen, ideeën en kapitaal – als we globalisering gemakshalve op die manier definiëren – zich uiteraard sowieso maar ten dele door overheidsingrijpen sturen. Voor een flink deel zijn het autonome processen onder invloed van technologische innovaties waar staten weinig grip op hebben. De generatie Europese politici van de jaren tachtig tot vandaag de dag heeft er echter volgens het credo van de kleine overheid bewust voor gekozen om de staat verder te verzwakken ten opzichte van internationale economische krachten.

Het is om nog werkelijk de samenleving vorm te geven en problemen van burgers op te lossen, die steeds meer Europeanen in de armen van radicale partijen drijft. De beleidsconsensus die sinds de jaren tachtig over het brede politieke midden van Europa is uitgesmeerd, moet hoognodig worden doorbroken. Het blije discours over globalisering als een kans en een uitdaging om ons te profileren op en te profiteren van een mondiale open economie wordt door steeds minder mensen geloofd.

Die globalisering-als-kans-denkers zitten geconcentreerd in een kleine progressief-liberale elite van hoogopgeleiden, die tevens de laatst resterende aanhangers van het vooruitgangsgeloof belichamen. Zij zijn met de kennis uitgerust om in de nieuwe economie munt te slaan uit het vrije verkeer van personen, goederen, ideeën en kapitaal.

Heel anders ligt dat voor een aanzienlijke en groeiende onder- en lagere middenklasse in Europa, die niet de capaciteiten – en in toenemende mate niet de financiële middelen – heeft om zich hoog op te leiden en zich zodoende weerbaar te maken tegen de mondiale concurrentieslag. Zij voelen zich er niet door uitgedaagd, maar bedreigd. Via de open grenzen van de geglobaliseerde wereldeconomie vrezen zij de komst van migranten van links en robots van rechts om hun banen in te pikken en overbodig te maken, als die niet al naar ontwikkelingslanden zijn geoutsourced.

Inderdaad zouden de komende decennia, zo bleek onlangs uit onderzoek van Deloitte, twee tot drie miljoen banen in Nederland kunnen verdwijnen door rlei vorm van automatisering. In de VS zou volgens een Oxford-studie over diezelfde tijdsspanne bijna de helft van de banen verloren gaan. Terwijl tot nu toe vooral delen van de onderkant van de arbeidsmarkt door automatisering en outsourcing werden getroffen, komen in de toekomst steeds meer banen in het middensegment om die reden op de tocht te staan. Dat vormt een directe bedreiging voor de middenklasse en daarmee voor de dragers van de verzorgingsstaat.

Uiteraard sluit het verdwijnen van banen op de ene plek niet uit dat er elders in de economie werkgelegenheid bij komt. Die nieuwe banen zullen evenwel meer en meer beperkt blijven tot de die hoge en specialistische opleidingen vergen. Het is niet denkbeeldig dat automatisering zo’n productiviteitstoename oplevert en zoveel menselijke arbeid overbodig maakt, dat simpelweg een flink deel van de bevolking geen kans zal zien om zich nog economisch nuttig te maken, , om nog voor een betaalde baan aangenomen te worden. Onderwijs kan ten dele uitkomst bieden, maar in hun optimisme vergeten de globalisering-als-kans-denkers wel eens dat een heleboel mensen nu eenmaal niet in de wieg zijn gelegd voor wetenschappelijke en hoge technische opleidingen.

Naarmate robots meer mensen werkloos maken en een groter aandeel van de economische productiviteit voor hun rekening nemen, raken macht en welvaart dus in toenemende mate geconcentreerd in de handen van hen die over de robots beschikken. Al klinkt dit vooralsnog absurd, op deze manier ontvouwt zich op termijn de dystopie van een kleine welvarende elite van robotbezitters en een verarmende massa van werklozen.

Om het schip van staat succesvol langs de immigrant en de robot, de Scylla en Charybdis aan de oevers van de geglobaliseerde economie te manoeuvreren, zal een van de meest ingesleten ideeën over de rechtvaardige samenleving op de helling moeten: het principe dat burgers dienen te werken voor geld om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien.  Het vanzelfsprekende en welhaast moreel beladen verband tussen werk en inkomen hoort, nu de overheid steeds minder in staat zal zijn om werkgelegenheid te waarborgen. Als een groeiend deel van de bevolking door krapte op de arbeidsmarkt structureel geen betaalde baan kan vinden, is het niet langer redelijk om mensen daartoe te verplichten. Dat veroordeelt hen een leven lang tot een uitkerinkje en creëert een uitdijende sociale onderklasse.

Waarom zouden we uit filosofisch oogpunt beslist moeten werken voor ons geld; is dat geen restant van protestantse ethiek waar we beter eens mee zouden afrekenen? Allerlei individuele rechten, gelijkheidsrechten en zelfs sociale rechten krijgen we bij de geboorte in de schoot geworpen, maar inkomen moeten we zo nodig verdienen. In een wereld waarin arbeid overvloedig en welvaart schaars is, functioneert dat principe heel aardig. Nu we in de omgekeerde situatie belanden – weinig werkgelegenheid, maar enorme, potentieel ernstig geconcentreerde welvaart – werkt dat recept niet meer.

Een alternatief waar de laatste paar jaar toenemende belangstelling voor is, is het basisinkomen: een vast inkomen als recht voor iedereen, in plaats van een uitkering als gunst voor zieken en zwakken. Het klinkt utopisch, misschien zelfs hedonistisch, maar een toekomst van het goede leven met minder betaalde arbeid en meer vrije tijd, werd reeds door een bloedserieuze econoom als John Maynard Keynes (1883-1946) voorspeld en toegejuicht.

De implicaties van de invoering van een basisinkomen voor iedereen zijn fors en deels moeilijk in te schatten. Aan de ene kant zou de overheid niet langer hoeven nagaan welke burgers nu wel of niet voor een heel scala aan toeslagen en kortingen in aanmerking komen. Een vast inkomen kan dat alles vervangen en maakt de burger zodoende vrijer van overheidscontrole en zelfstandiger om zich individueel te ontwikkelen. Het biedt zekerheid en een grond voor hernieuwd vertrouwen in de toekomst voor lager opgeleiden.

Anderzijds neemt een gegarandeerd basisinkomen financiële prikkels weg om zich inderdaad te ontplooien en bij te dragen aan de maatschappij. Uiteraard ontstaat de ruimte om onbetaald werk te doen, in verzorging, onderhoud, huishouden, verenigingsleven, enzovoort. Maar men kan met een basisinkomen op zak ook straffeloos op de bank blijven hangen.

De weg naar een algemeen basisinkomen is inderdaad bezaaid met praktische, financiële en maatschappelijke bezwaren. Aan u als wijsgeren in de dop echter de taak om het idee van een vast inkomen als recht voor iedereen op uw filosofische tong te proeven. Vrezend voor immigrant en robot smachten miljoenen Europeanen naar uw intellectuele stoutmoedigheid. Stel ze niet teleur.

———————————————————————————————–
Jan Ybema (1991) is onderzoeksmasterstudent Modern History aan de RuG en student-assistent bij de nieuwe bacheloropleiding Minorities and Multilingualism. Hij is als freelancer actief voor de cultuurredactie van het Friesch Dagblad en is redacteur bij het Friese internettijdschrift skanomodu.nl.

 

 

Facebooktwittertumblrmail

Dit artikel is geschreven door een gastauteur. Schrijf ook voor de Qualia! Kopij kan gestuurd worden naar de redactie via fil-qualia@rug.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *