De filosofie van Herman Finkers Over humor, kunst en religie

Herman Finkers staat bekend om zijn theaterprogramma’s en zijn liedjes, zijn grappen en zijn grollen. Als filosoof heeft hij daarentegen minder bekendheid verworven. Niet zo vreemd; de filosofische momenten in zijn shows laten zich gemakkelijk begrijpen als ‘niet meer dan cabaret’ en tijdens interviews komen filosofische onderwerpen maar zelden aan bod. Het is hierdoor lastig om een concreet beeld te vormen van zijn vermeende filosofie. De taalfilosofie van Wittgenstein blijkt echter een geschikt middel om deze uitdaging het hoofd te bieden.

Door Jochem Dijkstra

De Twent Herman Finkers is naar eigen zeggen grappenmaker van beroep. Cabaretier noemt men het ook wel. Volgens Finkers is een cabaretier iemand die mensen aan het denken zet over taboes die heersen in de samenleving. Zo heeft hij bijvoorbeeld zijn vrouw al dikwijls aan het denken gezet over vrijwillige euthanasie. Dit jaar is de eer aan deze grappenmaker om de oudejaarsconference te verzorgen. Een mooie gelegenheid om stil te staan bij de overeenkomsten tussen zijn gedachtegoed en dat van een andere meester in het spelen met taal, Ludwig Wittgenstein. Toegegeven, op het eerste gezicht lijkt een verband leggen tussen de ideeën van een Nederlandse cabaretier en die van een taalfilosoof uit de vorige eeuw wat arbitrair, maar wanneer je de filosofische uitlatingen van Finkers naast de taalfilosofie van Wittgenstein legt, wordt duidelijk dat dit verband goed ingezet kan worden om Finkers beter te begrijpen. De verschillende filosofische uitspraken die Finkers doet in theaterprogramma’s en interviews blijken namelijk ineens verrassend samenhangend zodra je Wittgenstein als referentiekader neemt. In dit essay zal ik deze strategie gebruiken om de volgende bewering van Finkers inzichtelijk te maken:

“Humor, kunst en religie horen bij elkaar. Alle drie houden ze zich bezig met de paradox van het leven.”

In de interviews waarin Finkers deze uitspraak doet lijkt hij aan te willen geven dat hier om een belangrijke filosofisch inzicht gaat. Maar wat dit inzicht inhoudt laat zich niet gemakkelijk uitleggen. De manier waarop de filosofie van Wittgenstein kan helpen om wel begrijpelijk te maken wat Finkers bedoelt zit hem niet in wat Wittgenstein zelf zegt over humor, kunst en religie. Over deze thema’s heeft hij namelijk maar weinig geschreven. Finkers’ en Wittgensteins gedeelde opvatting over de werking van het menselijke begrip daarentegen blijkt des te verdienstelijker: waar het bij Finkers ontbreekt aan een uitgeschreven theorie vult Wittgenstein de gaten op.

Religie en spelregels

De overlap tussen Wittgenstein en Finkers begint bij Wittgensteins afwijzing van de Tractatus, het hoofdwerk uit zijn vroege periode. In dit boek legt Wittgenstein uit dat een ware uitspraak doen neerkomt op de logische structuur van de wereld vangen in taal. Deze taal bestaat geheel uit proposities die werken als ‘afbeelding’ van de wereld. Bijvoorbeeld, een propositie als ‘de kat zit op de mat’ is waar wanneer er in de wereld een kat is die op een mat zit. In dat geval hebben de uitspraak en de wereld een overeenkomstige structuur. Later werd Wittgenstein een van de grootste critici van deze zuiver rationele opvatting van taal: taal is namelijk zoveel meer dan een verzameling proposities, het wordt bijvoorbeeld gebruikt om mee te vleien, te vragen en om moppen mee te vertellen. Denken over taal in termen van proposities is slecht een manier om met taal om te gaan en leidt tot maar een manier om de wereld mee te begrijpen.

In zijn show Na de pauze vertelt Finkers hoe hij als schooljongen veel moeite had met ondubbelzinnige proposities zoals ‘1+1=2’ of ‘een boom is in wezen niets anders dan een zuurstoffabriek’. Deze rationele, logische weergaven van de wereld ontnamen hem alle poëzie. Het was voor de kleine Herman een enorme opluchting toen op een dag de kapelaan de school bezocht en vertelde dat er maar een god is en dat die welgeteld uit drie personen bestaat. “Goddank, eindelijk iemand met wie je fatsoenlijk kunt praten.” Het voorbeeld laat zien dat er andere verschijningsvormen van taal zijn dan ondubbelzinnige posities, iets waar Wittgenstein zich graag bij aan zou sluiten. Voor zowel Finkers als Wittgenstein komt eenzijdig taalbegrip neer op een eenzijdige belichting van de wereld, terwijl er zoveel meer is dan wat rationeel gezegd kan worden. Dit is voor de latere Wittgenstein een reden om in zijn taalonderzoek constant een andere invalshoek te kiezen, waarbij elke invalshoek zijn eigen gebruiksregels heeft. Elkaar begrijpen komt dan neer op dezelfde set regels kunnen hanteren: je beheerst hetzelfde taalspel. Een natuurkundige beheerst het taalspel van Einsteins relativiteitstheorie waardoor hij hierover kan discussiëren met collega’s. Wil dezelfde natuurkundige flirten of pimpampetten met een collega, dan gelden er andere regels en zal hij een ander taalspel moeten aanspreken. Er zijn dus talloze manieren om met taal – en dus de reikwijdte van je begrip – te spelen, waarbij elk taalspel nieuwe deuren opent.

Finkers is overtuigd katholiek, maar schrikt er niet voor terug om het geloof op de korrel te nemen. “Wij zijn verdoemd tot onze zonden, toch zijn we blij met elkaar. Want voor die zonden stierf Here Jezus, en alle kleine beetjes helpen niet waar”, rijmt hij bijvoorbeeld in Geen spatader veranderd. Maar het spanningsveld tussen het wel en niet serieus nemen van zijn geloof komt nog beter naar voren wanneer hij te gast is in het programma Het Vermoeden. Daar wordt Finkers gevraagd wat hij ervan vindt om geïnterviewd te worden op het altaar. “Dat hoort eigenlijk niet vind ik”, zegt hij, “want je maakt eigenlijk het spel kapot.” Het is namelijk de afspraak dat een altaar geweide grond is, vertelt hij. De interviewster vraagt of ze het interview toch op die locatie kunnen doen. “Ja tuurlijk, je moet er toch makkelijk over denken.” Hier sluit Finkers nauw aan bij Wittgenstein: ook je diepste overtuigingen, bijvoorbeeld over je geloof, komen uiteindelijk voort uit de spelregels die je volgt. Uiteindelijk is je geloof dus ook een taalspel.

In zijn shows stoeit Finkers meermaals met de regels van het katholieke taalspel. Als ’s ochtends je eerste gedachte tot God gericht moet zijn, mag “God, wat heb ik een zin om mijn vrouw eens lekker bij de boezem te pakken.” dan ook? Tegelijkertijd blijft hij in staat om zijn geloof serieus te nemen, want, zoals hij in College Tour zegt, is het katholicisme een geaardheid. Je hebt namelijk niet te kiezen dat je iets gelooft. Of anders gezegd; dat jij de wereld goed kan begrijpen aan de hand van een bepaald taalspel, daar heb je geen keuze in. Wat niet wil zeggen dat je niet tegelijkertijd kan erkennen dat al je opvattingen deel uitmaken van een taalspel. Maar is religie zelf ook een taalspel? Een specifiek geloof zoals het hindoeïsme of het katholicisme zeker wel, maar religie lijkt voor Finkers iets alomvattenders te zijn. In Pauw en Witteman vertelt hij dat je niet kunt ontkennen dat ieder mens een religieus wezen is. Direct wordt hij in de rede gevallen door Job Cohen: “Ik ontken het wel.” “Ik ook!”, springt Paul Witteman bij. Waarschijnlijk hebben zij bij het woord ‘religie’ het aanhangen van een bepaalde geloofsovertuiging in gedachten. Voor Finkers zelf lijkt de term ‘religie’ echter te gaan over iets diepgaanders dan een geloofsovertuiging, iets wat voorbij het taalspel gaat. Geloof is een manier om de werkelijkheid te begrijpen met behulp van taalspelen. Religie gaat juist over de vraag waarom onze werkelijkheid een is die we begrijpen aan de hand van taalspelen.

Humor klopt altijd

In Geen spadader veranderd legt Finkers uit dat als je heel diep over iets nadenkt je altijd uitkomt op iets wat niet klopt. “Probeer maar eens, klopt altijd.” Het zijn tegenstrijdigheden als deze waar we slecht mee overweg kunnen terwijl ze inherent zijn aan taalspelen. De regels van een taalspel worden namelijk gevormd omdat ze praktisch zijn voor een bepaalde situatie, niet omdat ze de hogere waarheid in pacht hebben. Daardoor botsen ze altijd wel met een ander taalspel dat bestemd is voor een soortgelijke situatie dat zo weer zijn eigen regels heeft. In Finkers’ opmerking “We zijn laatst op bezoek geweest bij de deurwaarder, we dachten het hoeft niet altijd van één kant te komen” botst bijvoorbeeld het taalspel dat voorschrijft hoe je omgaat met deurwaarders met het taalspel van bezoeksetiquette. Eenmaal geconfronteerd met een ander taalspel gaat de schijn van objectiviteit van een taalspel dus uiteindelijk ergens nat. Probeer maar eens, klopt altijd.

Humor, zegt Finkers, is uiteindelijk een veel geschikter middel om mee over tegenstrijdigheden na te denken dan de wetenschap. Want “wat de wetenschap in eeuwen nog niet is gelukt, dat lukt humor in een paar tellen.” Dit punt legt hij als volgt uit:

“Humor is een moment van inzicht waarbij tegenstellingen in het leven heel even zijn opgelost. Dus: in humor ligt de waarheid; niet in het serieuze. Dit meen ik niet serieus; het is maar een grapje. Want anders is het niet waar. Als ik dus zeg ‘de waarheid ligt in het niet-serieuze’, dan is dat slechts waar als ik het niet meen. Maar wél waar.”

Hoewel Wittgenstein nooit uitgebreid geschreven heeft over humor, heeft hij wel een handvol opmerkingen hierover nagelaten. Hij stelde bijvoorbeeld dat het mogelijk is om een serieuze filosofie uit te werken die alleen maar uit grappen bestaat. Net als Finkers meende hij dat een grap gebruik maakt van een tegenstelling of een ongerijmdheid. In feite is humor voor zowel Wittgenstein als Finkers een epifenomeen van botsende taalspelen. Een filosofie die uit grappen bestaat zou daarmee een overstijgende filosofie kunnen zijn die de knelpunten van taalspelen in kaart brengt.

Een tweede aspect van humor dat belangrijk is voor Finkers is dat het altijd gecombineerd moet kunnen worden met religie, anders krijg je ‘iets vervelends’, zegt hij in College Tour.  De reden hiervoor laat zich wellicht vertalen naar dat je altijd moet kunnen erkennen dat iets een taalspel is. Wanneer dat niet mag gaat een taalspel als het ware naast zijn schoenen lopen; het forceert een autoriteit ten koste van andere taalspelen. Dat beperkt de vrijheid in betekenisgeving en doet daarmee geen recht aan de eindeloze mogelijkheden om de wereld anders te bezien. Er is niet een ‘waar’ taalspel, er is juist sprake van een pluralistische brei van taalspelen. In Culture and Value is een opmerking van Wittgenstein te vinden die aan dit punt lijkt te raken:

“Humor is geen stemming, het is een manier om mee naar de wereld te kijken. Dus als het waar is dat humor werd geweerd in Nazi-Duitsland, dan betekent dat niet dat mensen slecht gehumeurd waren of iets dergelijks, maar iets diepgaanders en belangrijkers.”

Voor Finkers is dit diepgaandere vermoedelijk precies datgene waar religie ook over gaat. Humor treedt niet op in een taalspel, maar juist bij een botsing van taalspelen. Het is daarom iets dat zelf geen taalspel is, maar iets dat taalspelen overstijgt. Een poging om humor uit te bannen zou voor Wittgenstein niet alleen een indicatie zijn van een poging om het ‘Nazi-taalspel’ onschendbaar te maken, het is ook een (wellicht tevergeefse) poging om de manier waarop een taalspel werkt te wijzigen. Het is alsof je besluit dat het Nazi-taalspel niet langer kan wringen met andere taalspelen en daardoor een onnatuurlijke autoriteit krijgt. Wellicht is dit een van die situaties die Finkers ‘vervelend’ zou noemen. Om te voorkomen dat religie een soortgelijke weg in zou slaan als het Nazi-taalspel is het dus belangrijk om de tegenstrijdigheden te kunnen blijven benoemen. Wat dat betreft is het gunstig dat je de beste pastoorsgrappen nog altijd van de pastoors zelf hoort, aldus Finkers.

Kunst als vormgeving

Zoals eerder aangegeven horen humor, kunst en religie volgens Finker bij elkaar omdat ze zich alle drie bezig houden met de paradox van het leven. De vraag wat Finkers precies bedoelt met deze paradox is tot nu toe open blijven staan. Te gast bij Pauw en Witteman licht Finkers een tipje van de sluier op; de paradox van het leven is dat als je goed nuchter om je heen kijkt je er geen barst van snapt. Zoals bij de behandeling van religie en humor bleek, zit ons leven namelijk vol met tegenstrijdigheden die onherroepelijk het gevolg zijn van de taalspelen die we moeten gebruiken om überhaupt iets te kunnen begrijpen. Dat levert een gekke situatie op: taalspelen maken het mogelijk om dingen te begrijpen, maar tegelijkertijd maken ze dingen ook onbegrijpelijk vanwege de tegenstrijdigheden die ze teweeg brengen. Maar wat is het dat zo slecht begrepen kan worden door middel van taalspelen?

In het programma Het Vermoeden vraagt Finkers zich af waarom twee plus twee geen dinsdagmorgen is. Het is precies een vraag die Wittgenstein gesteld zou kunnen hebben. Over het algemeen zijn we het erover eens dat volgens de regels van het wiskundige spel twee plus twee vier zou moeten zijn, maar wat belangrijk is voor Wittgenstein is dat we net zo goed andere regels afgesproken zouden kunnen hebben. Dat de huidige regelset het meest praktisch is voor het boodschappen doen, dat begrijpt Finkers ook wel. De bakker zal niet begrijpen wat je met ‘dinsdagmorgen half volkoren’ bedoelt. Maar een antwoord op de vraag waarom we die ene set het meest praktisch vinden krijgen we niet. Natuurlijk zou je een poging kunnen doen door de vraag te beantwoorden met ‘dat is praktisch want het heeft de beste gevolgen’, maar een dergelijk antwoord is evenveel waard als een woordenboekdefinitie. Het vertelt wel wat iets is, maar niet waarom iets is.

Dit probleem heeft alles te maken met de taalspelen die het mogelijk maken dat we dingen kunnen begrijpen. Een mystieke oerrealiteit die voorafgaat aan de taalspelen en die verklaart waarom we taalspelen gebruiken en misschien een hogere, taalspelonafhankelijke waarheid in pacht heeft is voor ons dus onbereikbaar. Dat is jammer omdat hier wellicht de verklaring te vinden is waarom het leven vol tegenstrijdigheden zit en wat precies de kentheoretische status van deze tegenstrijdigheden is. Je zou een taalspel kunnen vergelijken met een gekleurde bril die je op moet hebben om te kunnen zien. Elk taalspel heeft een eigen kleur, maar of je nu een bril draagt met gele of roze glazen, de neutrale werkelijkheid krijg je niet te zien. Het is simpelweg niet mogelijk om je buiten de tegenstrijdigheden die inherent zijn aan taalspelen te begeven, wat het leven tot een vat vol tegenstrijdigheden maakt. Geen wonder dat als je goed nadenkt over het leven, je er geen barst van snapt.

Taalspelen gaan – zoals de naam verklapt – over taal. Specifieker nog, ze gaan over dat gene wat we in taal kunnen vangen en een mystieke oerrealiteit valt daar buiten. Bij Pauw en Witteman stelt Finkers dat het niet te bevatten is waarom er zowel leed als liefde bestaat. Niet te bevatten wellicht omdat een dergelijke vraag gericht is op wat waar is los van onze taalspelen en dus buiten de taal valt. Geheel gepast noemt Finkers dit dan ook het ‘onuitspreekbare’. Dit onuitspreekbare heeft alles te maken met kunst, humor en religie: “Aan het onuitspreekbare geeft de kunst vorm. Humor ook, middels een grap. En religie precies hetzelfde middels allerlei mystieke beelden. Dus als religie problemen heeft met humor of met kunst, dan klopt er iets niet aan het systeem, want ze doen alle drie precies hetzelfde, op een eigen manier.” Humor verwijst naar het onuitspreekbare door de feilbaarheid van het uitspreekbare bloot te leggen. Religie biedt een omgangsvorm met het onuitspreekbare door tegemoet te komen aan de intuïtie van een ontoegankelijke, mystieke oerrealiteit. Dan rest alleen nog de vraag hoe kunst vorm geeft aan het onuitspreekbare.

In de bundel Poëzie zo moeilijk nie schrijft Finkers: “Ik ben maar een jongen die zingt wat hij voelt en zich afvraagt wat hij bedoelt.” Dit geeft goed weer dat een kunstvorm zoals een lied of een gedicht geen uitgesproken betekenis hoeft te hebben. Eerder is de onuitgesprokenheid van kunst juist de kracht ervan: het brengt het onuitspreekbare dichterbij door het tastbaarder te maken. Het beste voorbeeld hiervan uit Finkers’ eigen repertoire is wellicht zijn laatste theatershow Na de pauze. In tegenstelling tot zijn eerdere programma’s voert in Na de pauze humor niet de boventoon, maar geeft Finkers het onuitspreekbare een podium door humor, kunst en religie voortdurend met elkaar te combineren. In die zin is zijn laatste show – tevens zijn eerste zonder snor – de eerste waarin Finkers zijn ware gezicht laat zien.

Facebooktwittertumblrmail

Jochem maakt sinds 2013 deel uit van de redactie, en was de afgelopen twee jaar tevens eindredacteur.

2 gedachten over “De filosofie van Herman Finkers Over humor, kunst en religie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *