De cadeautjesimperatief Column

Ik vind het fenomeen ‘cadeau’ al lange tijd erg intrigerend. Het extraatje dat eigenlijk toch verplicht is, de ‘vrijwillige bijdrage’ die door een chagrijnige juffrouw gevraagd wordt in het openbaar toilet. Onlangs heb ik een verandering doorgemaakt in mijn houding ten opzichte van het geven en krijgen van cadeautjes. Filosofisch vrij oninteressant zou je denken. Totdat ik drie fasen in mijn cadeau-geschiedenis onderscheidde die me sterk deden denken aan de morele ontwikkelingsstadia van Lawrence Kohlberg. Er leek in deze drie fasen namelijk sprake van een zekere vooruitgang. Is een cadeau dan niet alleen een beleefdheids- of aardigheidsetiquette, maar inderdaad een indicatie van morele vaardigheid waarvoor wellicht zelfs morele principes op te stellen zijn? Een overzicht van mijn cadeaugedrag.

Preconventionele fase

  • Eigenbelang staat centraal. Je handelt zo dat je geen straf krijgt en zoekt hierbij de grenzen op om je eigen voordeel te maximaliseren.

  • Mijn motto: cadeautjes zijn leuk, want mogelijk krijg ik precies wat ik graag wil.

Als kind kreeg je in principe tweemaal per jaar cadeautjes; met Sinterklaas en op je verjaardag. Helaas duurde het cadeautjesfestijn in mijn ongelukkige 9-december-jarig-geval slechts 4 dagen per jaar. Een paar gouden muntjes of een scheetkussen in mijn schoen in de weken voor pakjesavond daargelaten. Vriendjes en vriendinnetjes kregen soms nog een troostcadeau wanneer hun oudere broer of zus jarig was. Dit was voor mij niet weggelegd; mijn moeder kreeg het namelijk voor elkaar om mij exact op de tweede verjaardag van mijn zus ter wereld te brengen. Ik kreeg weinig cadeautjes waar ik echt blij mee was. Hierdoor was de periode voordat ik ze kreeg eigenlijk belangrijker dan die erna: het ingepakte object was eerst immers nog een scala aan mogelijke dingen die ik leuk vond. Alleen mijn ouders wisten wat ik echt graag wilde hebben, en zelfs die hadden wel eens schijt aan mijn wensen. Mede hierdoor heb ik tegenwoordig een geweldig lampenkapje op mijn kamer: het cadeau waar ik als achtjarige het meest teleurgesteld over was. Wat moest ik in godsnaam met een lámpenkapje? Geef me gewoon een furby! Prrrrrrrr, me hungry.

Conventionele fase

  • Regels staan centraal. Goed is wat anderen goed vinden.

  • Mijn motto: cadeautjes horen er nu eenmaal bij; taak is ervoor te zorgen dat ik elk jaar evenveel binnen hark als dat ik uitgeef.

Er brak een duistere periode aan. Toen ik op de middelbare school terechtkwam, moest ik namelijk zelf cadeautjes gaan kopen voor vriendjes en vriendinnetjes. Ik weet niet meer of het letterlijk was afgesproken, maar de regel is ontstaan dat er €7,50 per persoon werd uitgegeven aan een gezamenlijk cadeau. Geen cent meer, geen cent minder. Op deze manier werd het risico op onzekere pubergedachten (vinden ze mij soms minder aardig?) tot een minimum beperkt. Het – wie kent haar niet- regelmeisje van onze groep initieerde altijd de cadeautjes. Iedereen schoot dan ook volledig in de stress wanneer zíj eens jarig was. Meestal kreeg je een cadeaubon van de H&M. Soms kreeg je iets persoonlijks, maar alleen wanneer je om exact dat persoonlijke ding gevraagd had. En vervolgens verrast reageren bij het uitpakken: “Wat leuk dat je het hebt gevonden in de winkel!”. Het kopen van het gezamenlijke cadeau voelde als het doen van de meest saaie boodschappen zoals brood, pindakaas of nog erger: vuilniszakken. Het geven ervan voelde als een zakelijke transactie: droog en koud. Om deze transactie nog enigszins winstgevend te maken propte iedereen zich op het “feestje” in hoog tempo vol met euroshopper chips en cola. Er werd geen cent verlies gemaakt, maar toch was de conventionele fase er een van pure armoede.

Post-conventionele fase

  • Ontwikkeling van een waardenpatroon staat centraal; iets is goed omdat het niet tegen je principes ingaat.

  • Mijn motto: Cadeautjes staan voor de band die ik met iemand heb.

Ik begon me, met het verstrijken van de jaren, steeds vaker af te melden uit een Whatsapp-chat met de titel “cadeau voor X”. Wanneer de jarige persoon iets voor me betekende kocht ik zelf wel iets. De prijs wisselde; soms bedroeg het 5 euro en soms 30 en soms was het cadeautje niet eens te koop. De teleurstelling wanneer mijn ouders mij niet “gewoon een ipod” voor mijn verjaardag gaven, sloeg om in extra waardering voor hun creatieve vondsten. Een enorme zwarte pepermolen waar ik nooit om gevraagd had- en waar ik ook nooit om zóu vragen- stond ineens symbool voor de sterke band die ik met ze had. Het bevestigde dat mijn ouders precies in konden schatten wat ik leuk vond, ook al wist ik dat zelf nog niet eens. Een cadeau in de post-conventionele fase bevat een bandversterkend element, maar ook een creatief en praktisch element. Je denkt na over een dierbare (bandversterkend), verzint waarom iets bij de persoon in kwestie past (creatief) en mag winkelen zonder dat je huis gelijk uitpuilt van overbodige spulletjes (praktisch).

Hoe komen jullie nu net als ik in de post-conventionele fase terecht? Dit is deels een kwestie van ouder worden, deels een kwestie van creativiteit en deels een kwestie van moraliteit. Houd je hierom altijd aan mijn cadeautjesimperatief:

Geef een cadeau zo dat je het idee van een cadeau niet overbodig maakt.

Het is geen kwestie van het in evenwicht brengen van een balans, maar van de onmogelijkheid om je cadeaugedrag in een balans te verwerken. Juist hierin zit haar ‘extra’ karakter. Dat we er door een bedrijf als Facebook aan moeten worden herinnerd wanneer we de imperatief precies dienen toe te passen, is dan ineens een stuk minder treurig.

Facebooktwittertumblrmail

Lieve was redacteur vanaf de winter van 2013 tot aan de zomer van 2016, en zette haar analytisch vermogen niet zelden in om sociale omgangsvormen te duiden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *