Conceptual Analysis™ te koop! Waarom echte filosofen geen experts zijn

Dat de letteren, en daarmee de wijsbegeerte, onder financiële druk staan is algemeen bekend. Academische disciplines die zich niet duidelijk laten vertalen naar een groter bruto nationaal product hebben er een zware kluif aan te bewijzen meer te zijn dan pretstudies. Filosofen laten zich daarom bijvoorbeeld inzetten als analisten van argumentatiestructuren en beleidsstukken. Het lijkt een goede zaak dat wijsgeren strijden om het filosofisch nut te bewijzen, maar in feite is het hun ondergang. Om weerstand te bieden tegen culturele en intellectuele verarming moeten filosofen niet simpelweg hun best doen om hun ‘maatschappelijk nut’ uit te leggen, ze moeten de vraag naar dat nut volledig afwijzen.

Door Remco van der Meer

Stellen dat de hedendaagse universiteit te lijden heeft onder het zogenaamde ‘rendementsdenken’ is het intrappen van een open deur. Het punt is hier niet om dat bijna clichématige verwijt te herhalen. Een subtieler probleem zit hem in de manier waarop filosofen zélf zijn gaan kijken naar hun bezigheden, niet simpelweg in de visie van managers en politici. Niet langer is een filosoof gewoon iemand met kritische en constructieve ideeën. In plaats daarvan is ‘de filosoof’ een specifiek soort expert, die met zijn expertise, Conceptual Analysis™, ingehuurd kan worden om bepaalde problemen op te lossen. Wanneer hen de vraag gesteld werd: “wat is nu eigenlijk het nut van jullie academische discipline?”, begonnen ze te sputteren: “hoezo zou dat nut er niet zijn?!” Na enige overpeinzingen kwamen ze dan toch met iets op de proppen: “conceptuele analyse, zoals niemand anders dat kan!”. Het gevolg is tenenkrommende stageverslagen waarin studenten zichzelf ervan overtuigd lijken te hebben dat ze met hun tekstanalyses en argumentatie een unieke, en toch vooral ‘filosofische’, bijdrage hebben geleverd aan een ambtelijk beleidsstuk of bedrijfsvergadering.

De filosoof als dienstverlener

In lijn met die trend heeft men aan de Rijksuniversiteit Groningen zelfs een zogenaamd ‘Kenniscentrum Filosofie’(KCF) in het leven geroepen. Dat instituut moet de praktische nevenactiviteiten van academische filosofen bijhouden en faciliteren. Zo’n ondersteuning is an sich nog geen ramp, en kan gezien worden als een pragmatische compromis met beleidsmakers die graag in termen van kapitaal denken. Rampzalig is het pas wanneer filosofen zo’n instituut ook daadwerkelijk gaan zien als dé manier bij uitstek om praktische filosofie te bedrijven. Expliciet wordt het KCF dan ook aan de man gebracht als een ‘wetenschapswinkel’. De oprichting van zo’n instituut is daarmee een impliciete erkenning van het gelijk van alfasceptische neoliberalen. De filosofen zijn klaarblijkelijk zélf dat paradigma gaan aanhangen: de filosofie als een ‘nuttig’ product, met ‘de filosoof’ als leverancier.

Het is geen volslagen vreemd idee, zo’n dienstverlening, het komt immers wel vaker voor. De fietsenmaker plakt banden. De bakker bakt en verkoopt brood. De elektricien legt elektrische bedrading. Wanneer zij naar hun maatschappelijke bijdrage worden gevraagd is het antwoord voor de hand liggend: het is dit of dat product, deze of gene dienst. Ook academici voelen de behoefte zich te conformeren aan dat marktmodel: de wiskundige kan middels statistische modellen voorspellen wanneer aandelen verkocht moeten worden, de bioloog hoe de koe meer melk produceert, enzovoorts. Moeizamer is het voor de geesteswetenschappers, die tegenwoordig stamelend proberen vergelijkbare diensten en producten te verzinnen. De wijsgeren zijn op hun beurt uitgekomen op de conceptuele analyse. Maar weten ze stiekem niet heel goed dat argumentative rigor and clarity, naast een Angelsaksische fetisj, kletspraat voor op hun cv is? ‘Analytisch vermogen’ hoort misschien thuis in het zelfde rijtje als ‘teamplayer’ en ‘geen 9-5 mentaliteit’, maar niet als beschrijving van een echte filosoof. De vraag naar maatschappelijk nut moeten we niet zien te beantwoorden door ad hoc een product te verzinnen en filosofie aan dat model te laten conformeren, maar door de vraag volledig te ondergraven.

De publieke rede

In 1999 vond in Bologna, officieel de plaats met de oudste universiteit ter wereld, het zogenaamde Bologna-overleg plaats. Deze leidde tot de Bolognahervormingen, een herstructurering van het hoger onderwijs in de Europese Unie en verwante staten. Als gevolg daarvan werd de bachelor-masterstructuur bijvoorbeeld standaard. Door jargon en diploma’s gelijk te stellen en ECTS in te voeren als algemene kwantificatie voor studielast moest dit plan het Europese onderwijsverkeer vergemakkelijken. Men hoopte op deze manier de uitwisseling van ideeën en studenten te faciliteren, met het oog op de concurrentiepositie van de Europese economie.

Tijdens een interview in Kopenhagen in 2014 beklaagde cultuurfilosoof Slavoj Žižek zich al eens over deze hervormingen. Wat verloren was gegaan in de 21e-eeuwse universiteit, zo foeterde hij, karakteristiek zijn neus afvegend, was het gebruik van de ‘publieke rede’. Hij doelt daarmee op een concept dat Immanuel Kant beschrijft in zijn essay Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung? (1784).

Die publieke rede is voor Kant een centraal begrip voor de Verlichting. Het staat tegenover de private rede, die men inzet wanneer er een specifiek doel te verwezenlijken is. Bijvoorbeeld wanneer een soldaat bevelen opvolgt, of wanneer een ambtenaar zijn taken moet uitvoeren. Dat zijn voor Kant privésituaties omdat ze draaien om de interne doelen van specifieke organisaties, maar niet om het algemeen belang. Uit praktisch oogpunt is het beter voor de samenleving, zo schreef Kant, wanneer mensen ‘privé’ gehoorzaam zijn. Kritiek op de gang van zaken kan gearticuleerd worden in gesprek met mensen buiten dienst, wanneer ze gezamenlijk redeneren. Een gesprek tussen twee mensen over de oplossing voor een maatschappelijk probleem is in Kants ogen al een geval van publieke rede, hoewel er natuurlijk in de ideale situatie veel meer mensen aan deelnemen. Publieke rede is namelijk niet simpelweg ‘openbaar spreken’, of redevoeren voor een groep. Het parlementslid in de Tweede Kamer is volgens Kants definitie privé aan het spreken, met een specifiek ambtelijk doel in het hoofd. Dat er een groep mensen naar luistert, of dat er redeneringen aan te pas komen, betekent dus nog niets.

Wérkelijk publiek spreken is gezamenlijk redeneren, räsonnieren, zonder de beperkingen van ‘private’ belangen van een ambtelijke of commerciële organisatie. Het is precies die mogelijkheid die in toenemende mate ontbreekt op de 21e-eeuwse universiteit. In plaats van een centrum voor een vrij gebruik van publieke rede zou de universiteit een diplomafabriek voor ‘experts’ zijn, die allemaal hun eigen dienst of product leveren voor het ‘maatschappelijk nut’. ‘Maatschappelijk nut’ is een term die vaak en graag gebruikt, maar zelden behoorlijk gedefinieerd wordt. Doorgaans lijkt het impliciet begrepen te worden als ‘wat het bedrijfsleven en de overheid ten goede komt’. De ‘expert’, zoals de universiteit die aflevert, is daarom volgens Žižek geen échte intellectueel. Experts worden ingezet: wanneer er rellen zijn in probleemwijken kunnen psychologen uitleggen hoe menigtes beheerst kunnen worden, stedenbouwkundigen kunnen straten ontwerpen om die beheersbaar te maken, scheikundigen ontwikkelen traangassen die geen blijvend letsel opleveren, et cetera. De ware intellectueel, zo beweert Žižek, is niet zo’n expert. Dat zit hem in het volgende. ‘Experts’ lossen aangeleverde, door anderen geformuleerde problemen op. Wie daarentegen gebruik maakt van de publieke rede bevraagt juist de formulering en articulatie van problemen. Wanneer we dat niet meer doen, laten we ons voor het karretje spannen van wie de dienst uitmaakt en hun arbitraire doelstellingen en nutsconceptie.

Het herdefiniëren van de filosofie

In een verdediging van de academische vrijheid, bij een symposium over dat onderwerp in 2014, wees Dr. Judith Vega nog op de inherente tegenstelling die ontstaat wanneer het universitaire en marktdiscours met elkaar verbonden worden. Ze haalde Michel Foucault aan, die eind vorige eeuw op gedreven en kundige wijze liet zien hoe macht en kennis altijd samengaan en zelfs synoniem zijn. Waarheidsvinding is daarmee altijd ook waarheidsproductie. Een waar publiek debat is zodoende niet ondergeschikt aan dit of dat doel, maar is de praktijk van het doelloos ondervragen. Wanneer we ‘Filosofie’ en ‘Maatschappij’ gaan onderscheiden, zoals in de naam van een zeker masterprogramma, gaan we mee in een denkwijze die ons alleen maar zal dwingen filosofie uit te kleden en te vernauwen. Ik zeg dus niet dat we simpelweg weerstand moeten bieden tegen bezuinigingen of de publicatiedruk waar onze onderzoekers onder leiden. Ik zeg dat de filosofen, juist door hun verdediging tegen die economische druk, de taak van de filosofie uit het oog zijn gaan verliezen. Filosofen zijn niet de leveranciers van een product dat toevalligerwijs winstgevend is voor Nederland BV. Échte filosofie is een gebruik van publieke rede dat per definitie nutteloos moet zijn. Desalniettemin heeft de vraag naar een maatschappelijke bijdrage filosofen ertoe aangezet filosofie te herdefiniëren tot een academisch spelletje van conceptuele analyse, omdat dat de enige filosofie is die zich laat vertalen naar een soort dienstverlening.

Als er íets is dat het in de allerlaatste plaats verdient om ervan beschuldigd te worden een ivoren toren te zijn dan is het de wijsbegeerte. De publieke rede, zoals Kant die zag, is de enige praktijk die over alles gaat en zich niet beperkt tot één specifieke sfeer. Maar zo zien zelfs de academici zelf het niet meer. In plaats daarvan is hun strategie het verdedigen van de legitimiteit van zo’n ‘ivoren toren’ door te laten zien dat ze misschien niet direct verbonden zijn met het verkeer van geld en goederen, maar er toch zeker een indirecte bijdrage aan leveren. Filosofen accepteren zo de impliciete aanname van de beschuldigende neoliberalen door een antwoord te geven op hun gronden, in hun taal, met hun logica.

Wanneer filosofen zichzelf herdefiniëren tot conceptuele analytici verliezen we uit het oog waar we nu eigenlijk mee bezig waren: de publieke rede, of the human conversation, in de woorden van Richard Rorty. Een filosoof lost geen commerciële problemen op, ze problematiseert de formulering ervan. Parallel daaraan zouden studenten van de filosofie zich niet voornamelijk met argumentative clarity (ik zeg het expres in het Engels) bezighouden, maar met kritische problematiseringen van maatschappelijke fenomenen. Alleen een radicaal verzet kan de filosofie redden. Elke compromis is een hellend vlak naar verdere afbreuk van autonomie, het verdwijnen van minderheidstradities in onderzoek en onderwijs, en uiteindelijk een verlies van alle kritische reflectie op en over de academia.

Facebooktwittertumblrmail

Remco is onderzoeksmasterstudent en voert graag de discussie over het 'waarom?' van de universiteit.

2 gedachten over “Conceptual Analysis™ te koop! Waarom echte filosofen geen experts zijn

  1. Beste Remco,

    dank voor je lezenswaardig stuk in de Qualia. Laat ik mijn reactie samenvatten in 3 punten:
    1. De meeste filosofen presenteren zich niet als experts in conceptuele analyse. Socrates begon natuurlijk met conceptuele analyse (wat is schoonheid? wat is goedheid? wat is vroomheid?) en dat blijft een belangrijke bezigheid voor filosofen (wat is de vrije wil? Wat is democratie? wat is bewustzijn?), want bij uitstek de filosofie onderzoekt begrippen (concepten) waarmee wij de wereld zin en betekenis geven. Maar er zijn veel meer invullingen van de taak van de filosofie (als er zoiets is als ‘de taak’ van de filosofie) – bruggenbouwers, grondslagenonderzoekers, kritische cultuurvolgers, levensfilosofen etc. etc. Wie conceptuele analyse presenteert als een armoedig antwoord van filosofen die om een rechtvaardiging van hun bezigheden verlegen zaten, zou eens de geschiedenis van de filosofie tot aan Socrates moeten bestuderen.
    2. Het is jammer dat zo’n mooi initiatief als het Kenniscentrum Filosofie wordt geassocieerd met ‘alfa-sceptische neo-liberalen’ en met denken in geld en kapitaal. Ik raad je aan om eens de brochure van Marc Pauly te lezen ‘Een huis delen: Hoe hou je het leuk?’ waarin hij zijn filosofische expertise aanwendt om praktische problemen en verdelingsvraagstukken die kunnen spelen in collectieve woonvormen te analyseren en verder te helpen. Je zou ook eens met Jan Willem Romeijn op stap kunnen gaan die zijn wetenschapsfilosofische expertise gebruikt om rechters te leren tot betere beslissingen te komen. Dit alles heeft niks met ‘tenenkrommende stageverslagen’ etc. te maken. Jij wil filosofie kennelijk zien als iets dat in splendid isolation bestudeerd moet worden; maar ik zie dat anders: filosofie is te mooi en te belangrijk om in de ivoren toren te blijven. Bij maatschappelijk nut krijg jij, geloof ik, een vieze smaak in je mond; ik ben blij als filosofen zich ook inzetten om maatschappelijke problemen helpen te verduidelijken en verder te helpen. De maatschappijkritische rol die jij, geloof ik, als enige rol voor de filosofie weggelegd ziet sluit hier juist naadloos bij aan, zoals we die ook in Filosofie en Maatschappij of in een vak als Filosofische Interventies gestalte proberen te geven. Dat heeft niks met geld verdienen te maken, of met geforceerd ons ‘product’ in een neoliberale maatschappij te verkopen.
    3. Jouw terechte lofzang op Kants publieke rede is juist iets wat wij allemaal zo belangrijk vinden, en wat we met zijn allen al heel lang proberen te stimuleren (al toen ik zelf filosofie studeerde): studenten toerusten om mee te kunnen doen in het academische en in het publieke debat. Dat vereist natuurlijk wel kennis en ook een aantal vaardigheden: kennis van goed redeneren en argumenteren (‘argumentative rigor and clarity, naast een Angelsaksische fetisj, kletspraat…’ noem jij dat, lees ik), en een brede ontwikkeling. Wat onze faculteit nimmer wil zijn is wat jij noemt een ‘diplomafabriek voor experts die allemaal hun eigen dienst of product leveren voor het maatschappelijk nut’. Ik ken heel wat collega’s in andere faculteiten die zich niet zouden herkennen in dit beeld, maar voor onze opleiding gaat het al helemaal niet op. Wij zijn geen ‘leveranciers van een product dat toevalligerwijs winstgevend is voor Nederland BV’. Jouw conclusie luidt: ‘filosofie moet nutteloos zijn’. Ik begrijp wat je bedoelt maar de formulering is misleidend: zelfs Kant zou dit niet op deze manier willen formuleren: de filosoof die de publieke rede gebruikt om zich als freischwebende intellectueel in het debat te mengen is bepaald niet nutteloos bezig. De Atheense machthebbers dachten dat ook niet van die freischwebende intellectueel (en conceptuele analyticus…) Socrates: die wilden ze maar liever dood hebben.
    Dit is dan ook de vreemde paradox in jouw stuk: filosofie moet helemaal los staan van de maatschappij (want anders laat ze de verdenking op zich ‘maatschappelijk nuttig’ te willen zijn, of zelfs diensten te willen aanbieden voor de hoogste bieder), anderzijds bepleit je met Kant (en met ieder weldenkende filosoof zou ik willen toevoegen) het gebruik van de publieke rede.

    Die human conversation waarover Rorty in navolging van anderen het had gaat mij na aan het hart: die zetten we graag voort aan onze faculteit! Ik spreek je dan ook graag bij een volgende gelegenheid.

    Hartelijke groet
    Lodi Nauta

    1. Volgens mij is er geen sprake van een paradox in het stuk. Remco noemt juist een belangrijk onderscheid tussen twee manieren waarop filosofie maatschappelijk betrokken kan zijn.

      De eerste manier is het, direct of indirect, in dienst zijn van andere disciplines. Denk inderdaad aan het analyseren van beleidsstukken en rechtsartikelen, het gebruik van de “conceptuele analyse” die dus ontzettend nuttig blijkt te zijn voor maatschappelijke vraagstukken. Dat de disciplines zelf steeds meer geacht worden om winstgevend of in ieder geval efficiënt te zijn, is een tweede ding, maar meer een feitelijke discussie. Ik ga er nu voor het gemak even vanuit dat men het erover eens is dat marktdenken in vrijwel elke discipline toeneemt. Je zou dus kunnen zeggen dat deze eerste manier van filosofische maatschappelijke betrokkenheid, hoewel zij er niet is omwille van de markt, wel ‘goed samengaat’ met en zelfs als ‘tool’ gebruikt kan worden voor marktdenken en efficiëntie.

      De tweede manier van maatschappelijke betrokkenheid van filosofie is het, door het gebruik van die ‘publieke rede’ problematiseren van maatschappelijke trends, zoals bijvoorbeeld bij emancipatie het geval is. Deze manier is in essentie juist op geen enkele manier in dienst van wat voor discipline dan ook, laat staan dat zij als efficiënt kan worden bestempeld. Emancipatie is er omwille van emancipatie.

      De zorg van Remco is dat filosofie naar de ‘buitenwereld’ steeds meer lijkt te worden uitgelegd met de maatschappelijke functie in de zin van manier 1, terwijl manier 2 minstens zo belangrijk is (en in Remco’s ogen dus zelfs essentieel aan filosofie). Die zorg wordt gevoed door het feit dat het ook heel logisch is dat deze verschuiving plaatsvindt. Door toenemende valorisatie en het feit dat ook universiteiten met geldproblemen kampen, lijkt die verschuiving niet toevallig plaats te vinden. Kort gezegd: om niet failliet te gaan, is het het makkelijkst om de filosofie in dienst van efficiënte disciplines te laten bewegen. De zorg is nu dat, juist als je een verdedigingsstrategie tegen het marktdenken opstelt waarin je het nut van filosofie voor andere disciplines centraal zet, de filosofie op lange termijn slechts in dienst zal staan van de markt. Je accepteert met zo’n strategie een gevaarlijke eis waaraan de maatschappelijke filosofie op ‘manier 2’ nooit kan voldoen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *