Foto: Marit de Jong

Er middenin! Filosofie tussen universiteit en samenleving

Sinds de afgelopen jaren is de discussie rondom de economisering van de universiteit en de druk op de geesteswetenschappen niet meer te stoppen. De vele artikelen, debatten en protesten hebben duidelijk laten zien dat er wijdverspreide onvrede heerst in de academische wereld. Emeritus hoogleraar wetenschapsfilosofie Hans Radder (VU) publiceerde onlangs een boeiend boek over de universiteitsproblematiek en de gevolgen voor de geesteswetenschappen. Hij besteedt speciaal aandacht aan zijn eigen vakgebied, de filosofie, door te stellen dat we de maatschappelijke waarde van filosofie moeten herzien. Remco bespreekt enkele kernpunten van de bundel.

Door Remco van der Meer

“De universiteit is een bedrijf geworden, de rector magnificus een topmanager (met bijbehorend salaris), de wetenschapper een kennisproducent en de student een rondshoppende consument.”
Zo luidt de kritiek van Hans Radder over de Nederlandse universiteit. Zijn essaybundel, Er middenin! gaat uitgebreid in op de financiële en bureaucratische problemen waar de wetenschappen mee te kampen hebben. Een belangrijk punt is dat er door de huidige financieringsstructuren te weinig ruimte is om af te wijken van een natuurwetenschappelijk keurslijf in geestes- en sociaalwetenschappelijk onderzoek. De ondertitel luidt echter ‘Hoe filosofie maatschappelijk relevant kan zijn’, en ook over dat onderwerp heeft Radder veel interessante dingen te zeggen. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld of geesteswetenschappelijk onderzoek haar neerslag altijd moet vinden in academische artikelen.

Een verdraaid financieringsbeleid

Radder verdient lof voor zijn heldere historische analyse van het ontstaan van het huidige restrictieve publicatieklimaat aan de Nederlandse universiteit. De emeritus professor wijdt meerdere essays aan het onderwerp. De grootste boosdoener is voor hem de hervorming van onderzoeksgeldverdeling. Aanvragen lopen tegenwoordig grotendeels via de Nederlandse organisatie voor wetenschappelijk onderzoek (NWO). Meer dan ooit moet onderzoek betaald worden uit deze zogenaamde ‘tweede geldstroom’, omdat het grootste deel van de vaste financiering – de ‘eerste geldstroom’ – naar deze tweede verplaatst is. Die reorganisatie was bedoeld om meer onderzoeksvrijheid op te leveren, omdat onderzoekers in theorie over ieder onderwerp voorstellen kunnen indienen. In de praktijk ziet men zich echter gedwongen om vooral voor mainstream-onderwerpen en methodologieën te kiezen. Daarnaast zijn er zoveel subsidieaanvragen dat zelfs de beste voorstellen door willekeur geweigerd kunnen worden.

Toen het systeem van onderzoeksaanvragen ontstond, al in de jaren ‘60, was er nog wel wat voor te zeggen. Veel onderzoekers wilden of konden zelf dergelijke administratie niet doen. Daarnaast was er genoeg geld om een aanvraag een redelijke kans van slagen te geven. Tegenwoordig is het veel minder op zijn plaats, tot Radders zijn grote spijt: “mede als gevolg van het nog steeds dominante neoliberalisme heeft het idee postgevat dat wetenschap blijkbaar het beste gedijt wanneer de wetenschappers zich constant moeten waarmaken in een permanente concurrentie om de schaarse middelen.”

Door de noodzaak tot subsidieaanvragen ontstond een nieuw soort evaluatiebeleid op universiteiten. Niet de resultaten, maar de plannen van wetenschappers worden nu beoordeeld. Een onderzoeker moet vooral kunnen bewijzen dat hij of zij in aanmerking komt voor onderzoekssubsidie. Geld moet dus ‘inverdiend’ worden via subsidieaanvragen uit de tweede geldstroom. Een gerelateerd probleem dat Radder aankaart betreft de onderzoekers hun baanzekerheid. Door de permanente concurrentie is een enorm aandeel van de universitaire aanstellingen slechts tijdelijk. Wie geen onderzoeksgeld binnensleept kan er zomaar uit liggen. Het had zo kunnen zijn dat dit soort druk de kwaliteit van het onderzoek bevordert, maar dat is niet het geval. De succespercentages bij aanvragen zijn namelijk absurd laag. Het inverdienen van geld is daarom volgens Radder vooral een financiële verzekering voor het universiteitsmanagement, geen maatregel die de kwaliteit van de wetenschap bevordert.

Een ander, maar even belangrijk probleem is de zogenaamde valorisatie-eis waar onderzoek bij de NWO aan moet voldoen. Onderzoekers moeten het directe economische belang van hun onderzoek uitleggen bij de aanvraag. Het behoeft weinig uitleg dat dit de ene academische traditie beter lukt dan de andere. Fundamenteel onderzoek voor de lange termijn, of kritisch onderzoek dat het heersende wetenschappelijke of maatschappelijke paradigma bevraagd, hebben het daardoor enorm moeilijk. Binnen de wetenschappen vindt dan ook een vernauwing plaats: vooral onderzoek dat binnen dit plaatje past blijft, minderheidstradities verdwijnen. Radder stelt dat een universiteit of afdeling zo moeilijk een eigen richting in zou moeten kunnen slaan: ze zijn afhankelijk van de grillen van het NWO.

Ten slotte problematiseert Radder de toenemende banden van de universiteit met het bedrijfsleven. Door het krimpen van de eerste geldstroom, en de moeilijkheden van de tweede, zijn universiteiten ook gaan flirten met het bedrijfsleven. Geld uit deze zogenaamde ‘derde geldstroom’ krijgen universiteiten natuurlijk niet cadeau. Het gevolg is een toegenomen focus op commercialiseerbaar onderzoek. Afgelopen semester klaagden RuG-onderzoekers nog over dit fenomeen in de Groningse universiteitskrant.

Hierarchisering

Naast de kromme verdeling van onderzoeksgeld ontwaart Radder dat de afgelopen decennia steeds meer macht in steeds minder handen is komen te liggen. Bij de professionalisering van universiteiten zijn er managementteams opgekomen die ondemocratisch de dienst uitmaken. Het gaat Radder om het ontstaan van een bestuurslaag van managers die alleen formeel contact kunnen hebben met ‘de werkvloer’: onderzoekers, ondersteunend personeel én studenten. Dat is helaas niet geheel vreemd: in een samenleving waar de universiteit steeds meer gezien wordt als een commercieel instituut is een bedrijfsmatig bestuursmodel voor de hand liggend.

Radder doet echter niet aan gemakzuchtig vingertje wijzen: bestuurders hebben weinig andere keuze, zo legt hij uit, dan het gebruik van kwantitatieve criteria. Academische disciplines verschillen zoveel van elkaar, en dan zijn er nog de methodologische onderscheiden in de disciplines zelf, dat het onmogelijk is voor een bestuurder om te weten wat goed is voor elke traditie. Het gevolg, op alle Nederlandse universiteiten, is een inhoudsloos beleid op basis van inhoudsloze criteria. De oplossing, zo schrijft Radder, is democratisering. Wanneer er namelijk meer inhoudelijk democratisch debat zou zijn over universiteitsbeleid zouden bestuurders doorkrijgen dat hun kwantitatieve criteria afdoen aan de kwaliteit van onderzoek en daarmee onderwijs.

De geesteswetenschappelijke worsteling

Radders uiteenzetting van de universiteitsproblematiek is even helder als schrikbarend. Hoewel de huidige stand van zaken problematisch is voor iedereen op de universiteit, zijn het de geesteswetenschappen en delen van de sociale wetenschap het het moeilijkst hebben. Het gevolg van de kwantitatieve beoordeling door NWO en universiteitsbestuurders is dat alle disciplines in een natuurwetenschappelijk keurslijf geperst worden. Bijvoorbeeld door citatiescores en publicaties in journals te kwantificeren, waardoor een structurele voorkeur ontstaat voor Angelsaksische benaderingen en publicatie via tijdschriftartikelen in plaats van bijvoorbeeld boeken. Vervolgens worden onderzoekers op vrijwel alle afdelingen afgerekend op hun ‘research output’. Elke publicatie levert een bepaald aantal ‘punten’ op, waarvan onderzoekers er een bepaald aantal per jaar moeten halen.

Die focus op tijdschriftartikelen is problematisch, zo schrijft Radder. Voor bestuurders staat het nu buiten kijf dat zij de allerbeste uitkomst van een wetenschappelijk onderzoek zijn. Dat is al lang zo in de natuurwetenschap, waar deze publicatiemethode degelijk werkt. De afgelopen decennia zijn die artikelen echter ook steeds belangrijker geworden in de geesteswetenschap, met alle gevolgen van dien. Een belangrijke vraag is of geesteswetenschappelijk onderzoek überhaupt altijd haar neerslag moet vinden in academische artikelen. In de geesteswetenschap en het kwalitatieve deel van de sociale wetenschap is er volgens Radder geen enkele reden om artikelen te verkiezen boven boeken.

De kritiek op het feit dat onderzoek altijd moet leiden tot een journal-artikel wordt breder gedeeld, bijvoorbeeld in René Boomkens’ Tussen Topkitsch en Slow Science (2008), maar Radder heeft ook daadwerkelijk empirisch onderzoek gedaan naar de kwantificatiemethoden voor journalpublicaties. Zijn conclusie: de kwantificatie van publicaties is pseudowetenschappelijk. Het is simpelweg nauwelijks te meten welke academische tijdschriften nu echt ‘impact’ hebben. Lijsten van zogenaamde ‘toptijdschriften’ worden gehanteerd door universiteiten om de onderzoeksoutput van haar onderzoekers te kunnen meten. Middels een gedetailleerde analyse laat Radder zien dat die metingen van geen kant deugen. Dat is om verschillende redenen. Eén is dat veel metingen over twee jaar worden uitgevoerd, terwijl geesteswetenschappelijke publicaties impactvol zijn over veel langere tijd (Wittgenstein citeren we nog steeds, maar een scheikundig onderzoek uit 1990 dat inmiddels in verbeterde vorm is uitgevoerd niet meer). Dat is problematisch wanneer we zien dat vele artikelen nog artikelen citeren die ouder zijn dan negen jaar, en vaak nog veel ouder. Daarnaast is er een interval tussen indiening en publicatie, dat soms wel een jaar kan duren. Daardoor kan de helft van de potentiële impact al niet meegenomen worden in zo’n journal impact factor.

Het moge duidelijk zijn dat dit tot gevolg heeft dat er alleen tradities overblijven die zich lenen voor dergelijke publicatiemethoden. Tradities en methodologieën die een natuurwetenschappelijke stijl hebben lijken zich daar beter voor te lenen: een wiskundig probleem is kort uiteen te zetten, maar een bespreking van Heidegger’s neologismen minder. Dat wil niet zeggen dat het tweede onderwerp per se waardevoller is, maar wel dat de stijl van de eerste bevoordeeld wordt. Aan de Vrije Universiteit is onder andere hierdoor bijvoorbeeld de vakgroep geschiedenis en methodologie van de economie verdwenen.

De vraag is waarom wetenschappers, toch niet de domste mensen, zich in godsnaam laten leiden door dergelijke “inhoudsloze, pseudowetenschappelijke criteria”. Radder vermoed dat de sterke hiërarchie op universiteiten, maar ook een psychologische internalisering van economistische en bureaucratische waarden een rol spelen. Het natuurwetenschappelijke keurslijf en de vraag naar valorisatie zijn dus beknellend voor de geesteswetenschappen, waaronder de filosofie.

Wat is filosofie en hoe kan ze maatschappelijk relevant zijn?

Een worsteling die de filosofie heeft, zoals alle geesteswetenschappen, is het continu moeten bewijzen van haar maatschappelijke relevantie: niet alleen in de eerdergenoemde valorisatie-eis van het NWO, maar ook meer in het algemeen. Radder besteedt daarom speciaal aandacht aan het uitleggen hoe we de filosofie nu eigenlijk moeten zien. Filosofie moet niet alleen een spelletje voor in journals zijn, maar een maatschappelijk geëngageerde praktijk. Dat is in het huidige filosofische landschap niet per se het geval. Er zijn ‘commentaristen’ die zich voornamelijk bezighouden met het becommentariëren van klassieke teksten, er zijn conceptuele analisten die concepten als ‘oorzakelijkheid’ analyseren en tot slot naturalisten die filosofie zien als het hulpje van de natuurwetenschappen. Radder ontkent niet dat deze ondernemingen waardevol zijn, maar hij wijst erop dat als dit alles is, de maatschappelijke toevoeging van de filosofie zeer beperkt is.

Bestaande pogingen om deze academische onderneming terug te koppelen naar de samenleving zijn ook vaak niet erg geslaagd. “Op zijn best komt een eenrichtingsverkeer tot stand. De filosoof heeft iets ontdekt of geleerd waar de gewone mens eventueel zijn voordeel mee kan doen.” Wat we moeten willen, volgens Radder, is een wederzijdse interactie. Daar is wel een kleine paradigmawisseling over de aard van de filosofie voor nodig.

Allereerst moeten we volgens Radder af van de tegenstelling tussen theoretische filosofie en de wereld van de praktijk. De vraag naar het nut van de filosofie lijkt vaak gestoeld te zijn op een verkeerde aanname van deze kloof tussen filosofie en samenleving. In plaats daarvan moeten we zien dat filosoferen eigenlijk geen beroepsmatige bezigheid is, maar overal al gebeurt. Radder: “reflectie, inclusief filosofische reflectie, is een gewoon onderdeel van allerlei persoonlijke, maatschappelijke en wetenschappelijke praktijken.” Natuurlijk zal de professionele filosofie systematischer en wetenschappelijker zijn, maar dit betekent nog niet dat ze volledig onafhankelijk is van maatschappelijke context. Radder spreekt expres van ´professionele filosofie´ en niet van ´professionele filosofen´. Die laatste groep bestaat volgens hem niet, omdat filosofie een maatschappelijke bezigheid is, waar iedereen bedoeld of onbedoeld al mee bezig is. Dat wil zeggen: bij bijna elke menselijke onderneming is er sprake van normatieve opvattingen, expliciete of impliciete waarden, ethische afwegingen, politieke discussies, enzovoorts. “Deze visie impliceert dus geen tegenstelling tussen ‘fundamenteel’ en ‘toegepast’ filosofisch onderzoek”, zo verduidelijkt Radder. Filosofie is nuttig omdat ze een waardevolle bijdrage levert aan maatschappelijke of wetenschappelijke reflectie, niet omdat een professionele filosoof iets cadeau doet aan een externe ‘praktijk’. Radder concludeert dat filosofie midden in de maatschappij moet staan, omdat ze zich richt op de daar al aanwezige filosofie. Filosofie is daarmee geen kwestie van toepassing van specialistische ideeën op theorieloze praktijken, maar het kritisch reflecteren op de altijd al aanwezige theorie in die praktijken.

Toch wordt de kennisbenutting van de filosofie vaak nog gemodelleerd aan die van de natuurwetenschappen. In de geneeskunde hebben we het dan bijvoorbeeld over het genezen van een ziekte waar een specifieke groep mensen aan lijdt. Dat is natuurlijk precies wat de geneeskunde nuttig maakt, maar het is nog maar de vraag of de waarde van de geesteswetenschappen op die manier uit te leggen is. Bij het NWO lijkt men het vaak wel zo te zien. Het zogenaamde standard evaluation protocol spreekt ook over ‘maatschappelijke relevantie’ in dergelijke termen: geesteswetenschappelijk onderzoek is nuttig wanneer het een oplossing biedt voor de behoeften van een bepaalde doelgroep. Wanneer we het over filosofie hebben is dat toch echt een te eenzijdig beeld, zo denkt Radder. “De maatschappelijke waarde van invloedrijke wetenschappers als Hannah Arendt, Michel Foucault, Karl Popper of, hier in Nederland, Hans Achterhuis en Trudy Dehue schuilt niet in het oplossen van specifieke problemen voor welomschreven doelgroepen.” Daarmee herhaalt Radder de inmiddels steeds meer gehoorde kritiek dat universiteiten ‘maatschappelijk’ nog al eens interpreteren als ‘marktgericht’. De maatschappelijke waarde van filosofie moet hem juist liggen in het bevragen van het conceptuele en normatieve kader waarbinnen we die vragen bespreken.

De universitaire reductie van filosofie tot één methode, één soort theorie, als een filosofisch equivalent van de natuurwetenschappelijke theory of everything, is volgens Radder dan ook een fabeltje. “Een nuchtere blik op 2500 jaar filosoferen, of zelfs op het huidige filosofische landschap, toont een grote variatie in filosofische visies en methoden.” Deze diversiteit zal altijd blijven en wie gelooft dat filosofie te reduceren is tot één soort wetenschappelijk-theoretische praktijk is “buitengewoon arrogant” of getuigt van “historisch onbenul”. Radder verwijt de naturalisten dit, die hun normativiteit verbergen door te pretenderen op met behulp van de natuurwetenschappen langzaam naar ‘de waarheid’ toe te werken. Filosofie is een altijd normatieve en kritische praktijk, ingebed in de persoonlijke en culturele context van de filosoof.

Filosofie geeft een nieuwe kijk op onze grote vragen. Daarom concludeert Radder: de waarde van de filosofie is niet te meten langs de huidige economistische en kwantitatieve meetlat van overheid en universiteitsbestuur.

Wat is het alternatief?

Hoewel er veel universiteitskritiek in de media is geweest, wil Radder ook graag de aanzet geven tot een oplossing. Het liefste ziet Radder een volledige herziening van het universitaire management- en controleregime. De bureaucratie moet omgezet worden in inhoudelijk wetenschappelijk beleid, de economische wetenschap moet vervangen worden door wetenschap in het algemeen belang en boven alles moet er een flinke democratisering plaatsvinden. De universiteit is een gezamenlijk kennisproject, van studenten tot docenten, van onderzoekers tot schoonmakers. Het is geen bedrijf dat winst moet maken, maar een maatschappelijk instituut met een normatieve, maatschappelijke rol. Fundamentele wetenschap leidt tot mondige en verantwoordelijke burgers met een brede ontwikkeling. Ten tweede is fundamentele wetenschap voor de lange termijn belangrijk omdat onze toekomst altijd complex en onzeker is. Privaat onderzoek is daarentegen altijd productgericht en moet winstgevend zijn op de korte termijn. De universiteit zou zich daarentegen, als maatschappelijk instituut, op de lange termijn moeten richten.

Daarnaast zouden gedragscodes, niet alleen voor wetenschappers, zoals die nu al vaak bestaan voor ethisch onderzoek, maar ook voor bestuurders, enige uitkomst moeten bieden. Daar zou bijvoorbeeld het moeten respecteren van andermans gedachtegoed in vastgelegd kunnen worden, zodat universiteiten geen kwantitatieve criteria opleggen wanneer het gaat om onderzoek dat zich simpelweg niet leent voor dergelijke criteria. Onderzoek moet namelijk in grotere mate inhoudelijk, niet kwantitatief, beoordeeld worden, en meer op basis van haar resultaten, dan haar plannen.

De inrichting van Radders nieuwe universiteit staat niet vast. In zijn alternatieve visie is de waarde van wetenschap juist geen gegeven, maar moet zij continu opnieuw vastgesteld worden in een democratisch en inhoudelijk debat. De maatschappelijke, niet marktgerichte, waarde van fundamentele wetenschap moet daarbij centraal staan. De geesteswetenschappen kunnen zo gezien worden als waardevol omdat ze een bijdrage leveren aan het debat over onze grote vragen, over het conceptuele en normatieve kader waarbinnen dergelijke vragen ontstaan. Kortom: de heldere en diepgravende bespreking van de problemen en kansen van de academische wereld maken Radders essaybundel zeer de moeite waard.

‘Er middenin! Hoe filosofie maatschappelijk relevant kan zijn’ kost €17.50 en wordt uitgegeven voor Vesuvius/VU University Press.

Meer informatie? Op 15 maart komt Hans Radder naar Groningen om een lezing te geven op het Symposium ‘Toekomst van de filosofie’.

Facebooktwittertumblrmail

Remco is onderzoeksmasterstudent en voert graag de discussie over het 'waarom?' van de universiteit.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *