As-salāmu alaykum, wa ʿalaykumu s-salām

Betreft de ‘Nederlandse cultuur’ ten tijde van museumdenken

Wat is cultuur? Is cultuur statisch of onderhevig aan flux? Zijn we Nederland aan het verbouwen tot een museum? In dit artikel sta ik stil bij deze vragen en bouw ik voort op mijn onzekerheid ten aanzien van mijn multiculturele participatie, of beter gezegd, het gebrek daaraan. Het Nederlandse integratiedebat wordt onder de loep genomen aan de hand van socioloog Willem Schinkel, die aantoont dat Nederland lijdt aan sociale hypochondrie. Welke houding moeten we innemen in het discours, of kunnen we ons beter afvragen of we überhaupt wel stelling moeten innemen? Theoloog Theo Sundermeier helpt ons hier een handje bij.

Al maanden loop ik rond met de gedachte. Elke keer als ik van de bushalte naar huis loop. Elke keer als ik een blokje om ga met de hond. En dan zie ik ze weer. Zal ik het dan nu eindelijk doen? Maar ik heb het lef niet. Als ik het zou doen dan zou het oprecht zijn. Dat wel, niemand kan mij beschuldigen van het tegenovergestelde. Ik wil graag bruggen bouwen. Tot elkaar komen. Op de uitspraak heb ik al jaren geoefend, wat een mooie taal ook eigenlijk. Heel poëtisch, een schitterende tongval. Het is een fantastische begroeting. Maar ik ben bang voor afkeuring. Ik ben geen moslim en de uitspraak heeft een enigszins religieuze lading. Maar wat zou ik graag mijn Arabische buurtgenoten en eigenlijk iedereen willen groeten met ‘as-salamu alaykum’, wat ‘de vrede zij met u’ betekent. Juist omdat het dit betekent, wil ik het graag zeggen. Onderzoek laat zien dat bijna negentig procent van de moslims elkaar met deze uitspraak begroet en dat bijna iedereen teruggroet met wa ʿalaykumu s-salām (de vrede zij ook met u), alaykumus-salämuwa-rahmatu Uāhi wa-barakãtuh (moge vrede, Gods barmhartigheid en zijn zegeningen tot u komen) of met een herhaling van de geïnitieerde groet. Hoe vredelievend is dat! Wat een diepgang heeft dit tegenover onze standaard groet: ‘hoe is ie?’ Als we denken dat we met deze groet serieus belangstelling tonen, dan hebben we het mis. Want het is vrijwel onvermijdelijk dat het betekenisloze antwoord ‘goed’ volgt. Betekenisloos, omdat zelfs wanneer het helemaal niet goed gaat met de ander, de ander alsnog geconditioneerd ontkennend antwoordt. Als taal onze manier van denken, onze manier van leven weerspiegelt, wat zegt dit dan? Wat zou ik graag deel uitmaken van een cultuur waar men elkaar groet door de ander vrede te wensen. Maar de mensen die deze groet gebruiken zijn vreemden voor mij, zij maken niet deel uit van de cultuur waartoe ik behoor. Ook ik ben lijdend voorwerp binnen het publieke debat over integratie, ik zie de nieuwsberichten voorbijkomen en onbewust trek ik mij iets aan van de scheiding tussen bevolkingsgroepen die wordt gepresenteerd in de media. Ik wil dit niet, ik voel me onzeker. Hoe komt dit? Waarom wordt er zo’n heftig onderscheid gemaakt tussen verschillende groeperingen in onze samenleving?

Organicisme

In De gedroomde samenleving schetst Willem Schinkel een beknopt onderbouwend historisch kader waarmee wordt beargumenteerd dat we geneigd zijn om onze samenleving te bezien als een sociaal lichaam. Zo beschrijft Plato zijn beeld van de staat als een sociaal lichaam waarin hij onderscheid maakt tussen verschillende delen van dit lichaam, namelijk logos, thymus en eros, dat hij respectievelijk lokaliseert in het hoofd, de borst en de lagere delen. Johannes van Salisbury, middeleeuwse filosoof, beschrijft ook een sociaal lichaam in het feodale tijdperk, waarin de koning als Gods plaatsvervanger aan het hoofd staat, de boeren onderaan de voeten belichamen terwijl ze lijfeigenen zijn van de grondbezitters die vazallen van de koning zijn. Aan het einde van de Middeleeuwen wordt het denken in termen van onder- en bovenin de samenleving vervangen door het denken in termen als centrum en een periferie. In de Romantiek genoot het organisch denken meer en meer voorkeur tegenover het mechanische denken. En ten aanzien van de moderne maatschappij beschrijven onder andere Durkheim en Comte de maatschappij als een organisme met daarin verschillende organen die allen een rol te vervullen hebben binnen het sociaal lichaam

Het is blijkbaar aantrekkelijk om te denken in termen van een sociaal lichaam, omdat op deze manier duidelijk onderscheid gemaakt kan worden tussen verschillende groeperingen binnen de samenleving – eenieder heeft zijn eigen essentiële plek in de samenleving. Schinkel spreekt hier van organicisme, wat wordt gekenmerkt door het veronderstellen van het bestaan van een afgebakend sociaal geheel, dat bestaat uit delen, waarin niet de delen autonomie hebben, maar slechts het geheel. Hieruit volgt dat het sociale lichaam een zekere bezorgdheid heeft met betrekking tot de eenheid van het lichaam. Deze eenheid is een weerspiegeling van de ordening in het lichaam.

Museumdenken

Deze ordening is voornamelijk onderwerp van gesprek binnen het integratiediscours. De Groene Amsterdammer van 13 februari publiceerde het artikel ‘Wat ik van IS vind? Wat denk je zelf?’ waar in kaart gebracht is hoe politici xenofobie normaliseren, kranten bijdragen aan negatieve beeldvorming over moslims en hoe het op sociale media racistische commentaren regent. Het onderzoek is gedaan op basis van 23 jaar publieke data uit het parlement, krantenarchieven en sociale media. Tijdens het lezen van het artikel wordt bevestigd wat al glashelder was: de polarisatie op het politieke toneel en in de samenleving is enorm verhard, met aan de ene kant mensen die open willen staan voor migranten en aan de andere kant zij die migranten zien als een bedreiging voor een bepaalde levensstandaard.

Het integratiediscours wordt momenteel gedomineerd door het beeld van de vreemde als een vijand. Theo Sundermeier beschrijft in zijn essay Aspects of Interreligious Hermeneutics drie globale houdingen om een vreemde te benaderen. Het bezien van de vreemde als een vijand is de eerste. Deze benadering staat op enorme spanning met het integratiebeleid dat momenteel door de staat wordt gehandhaafd, met enerzijds de welwillende humanistische waarden (waar de vluchteling als zodanig centraal staat) en anderzijds het museumdenken. Met dit laatste bedoel ik te zeggen, in navolging van Schinkel, dat er een tendens gaande is – die in eerste instantie is aangewakkerd vanuit ontevreden burgers, maar vervolgens ook zeker door de politiek is overgenomen – om Nederland te bezien als een museum. In musea worden kunstwerken tentoongesteld, dat wil zeggen, ze zijn af, klaar. De cultuur is geperfectioneerd, de taal is compleet, de rituelen hebben de hoogste vorm van esthetiek en moraal bereikt. Nu kan het tentoongesteld worden. En net als in het museum mag men niet aan het kunstwerk zitten!

De humanistische waarden staan onder druk. Van tolerantie is geen sprake meer. De definities van tolerantie en eenheidsdenken zijn de afgelopen decennia in elkaar overgelopen. Maar tolerantie is allesbehalve eenheidsdenken, het betekent niet dat we met zijn allen één en dezelfde zijn, het betekent juist dat we verschillend zijn en dat de ander er wellicht waarden op na houdt waar jij je helemaal niet in kan vinden, maar dat is oké. De ander wordt in zijn waarde gelaten, ieder z’n eigen. Sundermeier noemt deze tweede houding the trader model. In Nederland kwam deze benadering sterk tot uiting in de jaren zestig en zeventig. De Nederlandse staat paste bewust geen integratiebeleid toe met betrekking tot de gastarbeiders – onder het mom van behoud van eigen cultuur. In het artikel van De Groene vertelt Bouras, kind van eerste generatie Marokkaanse gastarbeiders: “Wij groeiden op in een periode dat Marokkaan-zijn een vanzelfsprekendheid was en helemaal niet werd geproblematiseerd. Wij waren geen onderwerp van het publieke debat. Vergelijk dat met de generatie Marokkaanse of Turkse Nederlanders die volwassen zijn geworden na 9/11. Die wordt constant geconfronteerd met hun anders-zijn, met hun moslim-zijn. In de media en de Tweede Kamer wordt er continu over hen gesproken. Wat dat betreft was mijn jeugd een stuk zorgelozer.”

Sociale hypochondrie

Hobbes stelt dat de staat begon met een sociaal contract. Dit contract is weliswaar een contrafactische aanname, maar volgens Schinkel juist daarom noodzakelijk om een daadwerkelijk begin van het sociaal lichaam te negeren. Wie immers spreekt van een begin, spreekt ook van een einde. En het idee dat ons sociaal lichaam dood zou gaan, is een pijnlijke gedachte. Sociaal gezien is het daarom veel productiever om de aandacht van sterfelijkheid te verplaatsen naar de ziekte die de dood zou veroorzaken. Dit is volgens Schinkel hoe sociale hypochondrie ontstaat, wat hij als volgt definieert: ‘de krampachtige fixatie van een sociaal lichaam op zijn mogelijke eenheidsbedreigende ziektes, teneinde de aandacht van zijn komende dood af te wenden’. Geschiedenis laat zien dat samenlevingen allerlei ontstaansmythen hebben toegepast om een daadwerkelijk beginpunt van de samenleving niet te hoeven onderzoeken (denk aan Romulus versus Remus, een goddelijke inauguratie of een sociaal contract). Zou men namelijk wel een beginpunt afvragen, dan zal men zien dat er slechts sprake is van een contingent begin, een begin zonder noodzaak.
Het einde van het sociaal lichaam is vaak vervangen door een doeleinde, zoals het religieuze eschaton, of in geseculariseerde termen: de communistische heilstaat of de werkelijk liberale maatschappij. Het gericht zijn op deze doeleinden zorgt er tevens voor dat de aandacht wordt weggenomen van de dood van het sociaal lichaam. Deze grote collectieve idealistische strevingen zijn echter niet meer van toepassing. De Franse filosoof Lyotard beschrijft dit gegeven in zijn La condition postmoderne als het einde van de grote verhalen. ‘Niets kan dan meer de aandacht van de dood van het sociaal lichaam afwenden, behalve een extreme focus op de mogelijke ziektes ervan’, aldus Schinkel. Wat zijn dan deze ziektes? Voor een hypochonder is dat alles wat het gezonde lichaam mogelijk kan bedreigen. Wat is dan dit gezonde lichaam? Wanneer is onze samenleving gezond?

Verschillen doen leven

Om het lichaam gezond te houden moeten de delen van het lichaam niet te veel van elkaar afwijken, zo wordt gedacht. Maar is dit zo? Ik wil graag het organisch denken nog eens beter onder de loep nemen. Als ik het menselijk lichaam anatomisch analyseer en de verschillende organen los van elkaar beschouw, dan lijken de organen helemaal niet op elkaar. Sterker nog, zouden ze dat wel doen, dan werkt het lichaam helemaal niet meer! Het is juist deze samenwerking van totaal verschillende organen die iets heel bijzonders doet laten bestaan. Het is op basis van deze verschillen dat dit leven standhoudt. Wanneer de verschillende organen niet meer van elkaar te onderscheiden zijn, betekent dit dat lichaam dood is, dat het uitéén uiteen is gevallen en is vergaan

Volgens de derde benadering van de vreemde volgens Sundermeier zijn er wel degelijk verschillen, maar zijn deze enkel oppervlakkig. Hij stelt dat alle mensen in essentie gelijk zijn. Dit lijkt tegenstrijdig met de voorgaande alinea, maar dat hoeft niet zo te zijn en zo bedoel ik het ook niet. Ook Sundermeier kan begrepen worden in termen van organistisch denken. Zodoende verschillen alle organen wel, maar zijn ze in essentie gelijk, in zoverre dat ze allen deel uitmaken van een groter geheel en ook verantwoordelijk zijn voor het voortbestaan ervan. Sundermeier spreekt als voormalig missionaris uit ervaring wanneer hij stelt dat het heel goed mogelijk is om samen te leven met verschillende culturen en geloofsovertuigingen. Hier is echter een open houding voor nodig. Het is van belang je open te stellen voor de ander, je te verdiepen in de ander, niet alleen voor de ander, maar des te meer omdat de ander een spiegel voor je is. De oppervlakkige verschillen lokken een mentale reactie uit. Deze confrontatie met de ander stelt jou in staat jezelf beter te leren kennen. Sundermeier geeft aan dat in de psychologie deze zienswijze wordt gehanteerd; ‘Vreemden als zodanig bestaan niet, ze representeren altijd het onderdrukte zelf. Xenofobie wordt bezien als onderdrukte of geprojecteerde zelfhaat.’

Cultuur als rivier

Ik heb zo’n vermoeden dat de meesten xenofobie niet als geprojecteerde zelfhaat willen erkennen. Het integratiedebat wordt namelijk gekenmerkt door wat Schinkel diagrammatica van integratie noemt. Dit houdt een manier van spreken of schrijven in waar telkens uitgegaan wordt van een scheiding tussen ‘de samenleving’ en de ‘niet-geïntegreerden’, of deze scheiding wordt als zodanig gecreëerd – denk aan Foucaults objectivicatie. De term integratie komt van het Latijnse integer, wat iets als ongeschonden geheel betekent, oftewel iets wat toepassing heeft op het collectief. Momenteel staat het integratiebeleid niet in het teken van het collectief, maar in het teken van het individu, van het subject ‘de niet-geïntegreerde’. Als de niet-geïntegreerde niet mee kan komen in onze samenleving, dan ligt dat aan zijn of haar gebrekkige integratie en dus niet aan de samenleving. Vrijwel altijd wordt als verklaring voor waarom de niet-geïntegreerde niet goed kan integreren, de cultuur van de niet-geïntegreerde als reden aangewezen. Enerzijds betekent dit dat de persoon er zelf niks aan kan doen en valt hem of haar niks te verwijten, het ligt immers aan zijn of haar cultuur en niet aan de persoon zelf, maar anderzijds betekent dit ook dat die persoon kansloos is, hij of zij is immers gedetermineerd door die cultuur. Dit eenrichtingsverkeer is wat mij betreft zeer ongelukkig. Als we organisch willen denken, dan moeten we ook zo handelen. Momenteel denken we de staat of ‘de Nederlandse cultuur’ als een mechanisch gegeven, iets dat stilgezet kan worden in de tijd en statisch kan zijn, en waar zodoende de ander zich aan moet conformeren. Maar zo werkt het niet, het leven is een flux en cultuur is een flux. De vraag wanneer de Nederlandse cultuur is begonnen is niet onomstreden te beantwoorden. Elk antwoord is een contingent antwoord, gebaseerd op criteria die wel onderbouwd kunnen worden, maar niet noodzakelijk zijn. Wie ‘de Nederlandse cultuur’ analyseert ziet elementen die geïntegreerd zijn in verschillende tijdperken terug tot aan mensenheugenis en waarvan de meesten afkomstig zijn uit hele andere streken dan de zeven verenigde Nederlanden. In het guldentijdperk, waar sommige politici graag aan refereren, werden we nog herinnerd aan de diversiteit binnen onze samenleving en hoe dankbaar we daarvoor zijn. Op nota bene het briefje van duizend gulden, het duurste guldenbiljet, was tweede generatie immigrant Baruch d’Espinoza afgebeeld, beter bekend als Nederlands grootste filosoof Benedictus de Spinoza. Ik vraag me af of Wilders en Baudet op de nieuwe guldens een tweede generatie immigrant afgebeeld willen hebben. Ze zullen terecht aangeven dat Spinoza wel afstand nam van het geloof waarmee hij was opgevoed, maar dat betekende niet dat Nederland destijds zijn theologie omarmde. Ook vanuit de dominant christelijke hoek kwam veel weerstand. Het kwam pas veel later dat ‘de Nederlandse cultuur’ Spinoza als Nederlands icoon erkende. Betekent dit dan dat ‘de Nederlandse cultuur’ zo rond de achttiende à negentiende eeuw is ‘begonnen’? Als we Baudet zijn overwinningsspeech als uitgangspunt moeten nemen, waarin hij refereert aan de Gouden Eeuw (of die van Balkenende wat dat betreft), dan zeer zeker niet. Nee, de cultuur is onderhevig aan flux, er is geen noodzakelijk begin of einde.
Wat weerhoudt ons er dan van om culturen daadwerkelijk te integreren, dat ook ‘de Nederlandse cultuur’ zich aanpast? Niks. Niemand. Omdat het simpelweg niet valt te weerhouden. Ook overschreeuwende politici trekken aan het kortste eind. Misschien winnen ze wel aan zetels, en misschien verkrijgen ze ook wel de meerderheid, maar cultuur is nu eenmaal in verandering. Nederland kan niet dichtgetimmerd worden tot een museum, zeker niet in tijden van internet en een vrije stroom van informatie. Geregeld worden woorden uit het Engels of van de straat toegevoegd aan de Dikke van Dale, en wat te denken van de hoeveelheid Franse woorden in de Nederlandse taal? Als ik uit het raam naar het veldje voor ons huis kijk, dan zie ik mijn blanke en donkere buurjongens met elkaar spelen. De kinderen zijn zich erg bewust van hun verschillende gewoontes, dat is duidelijk te zien in hoe ze met elkaar omgaan en valt daarom niet te ontkennen. Maar het maakt ze niet uit. Ze spelen.

Verder lezen

  • Elibol, R., Hagen, S. & Tielbeke, J. (2019). Racisme in Nederland. ’Wat ik van IS vind? Wat denk je zelf?’, De Groene Amsterdammer, 143(7). Opgevraagd via www.degroene.nl
  • Schinkel, W. (2008). De gedroomde samenleving. Kampen: Klement.
  • u/messajes, Aiman_D, adisofiyan, SERFBEATER, pwnerc, mjmj7750 … txs2300. (2014). Non Muslim saying As-salamu alaykum to a Muslim? [forum]. Opgevraagd op 5 mei 2019 van www.reddit.com/r/islam/comments/24h5od/non_muslim_saying_assalamu_alaykum_to_a_muslim/
Facebooktwittertumblrmail

Eindredacteur externe contacten. Voornamelijk geïnteresseerd in maatschappelijke zaken, tevens een zwak voor religies.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *