Niet zo YOLO Wat het klonen van huisdieren zegt over onze omgang met de dood

Dankzij een biotechniekbedrijf in Zuid-Korea zijn overleden honden niet langer gedoemd tot een graf in de tuin, maar kan een kloon hun plek in de mand overnemen. Maar waarom willen mensen dit zo graag en wat zegt dit eigenlijk over hoe wij omgaan met de dood- die van huisdieren, maar ook in het algemeen. 

Door Maaike Rijntjes

“Dan koop je toch gewoon een nieuwe?” Dat is wat mensen na het overlijden van een huisdier vaak te horen krijgen van mensen die ze zelf niet hadden. Mensen die niet lijken te begrijpen dat een nieuwe hond toch echt anders is en het net overleden dier zeker niet zomaar kan vervangen. Het bedrijf Sooam Biotech in Zuid-Korea heeft de oplossing voor dit probleem gevonden: voor nog geen 50.000 euro kun je je geliefde viervoeter laten klonen. Exact hetzelfde zal het dier niet zijn, maar dichter in de buurt kun je voorlopig ook niet komen.

Hoewel het bedrijf tot nu toe voornamelijk klanten uit Azië en Amerika had, lopen de eerste gekloonde honden inmiddels ook in Europa rond. Voor het programma ‘Klonen: wens of waanzin?’ liet BNN zelfs de bulldog Joep van een Rotterdams echtpaar klonen. Joeps kloon kreeg de naam Pipo, ligt inmiddels in dezelfde mand als zijn voorgang en gedraagt en ruikt volgens zijn baasjes ook hetzelfde.

De gebruikte kloontechniek en ook het Koreaanse bedrijf zelf zijn omstreden- Pipo’s tweelingbroertje Sjors Kloonie overleefde het niet- maar voorlopig komt er geen Europese wet die het importen van gekloonde honden verbiedt en zal het dus ook voor andere welgestelde Europese baasjes mogelijke blijven hun geliefde huisdieren terug te zien na hun dood. De vraag, zeker voor mensen die nooit huisdieren hebben gehad, blijft waarom je dit in hemelsnaam zou willen. En wat zegt het verlangen om dit te doen eigenlijk over hoe wij mensen met de dood omgaan?

Gedenk te sterven versus YOLO

Honderden jaren voor christus schreef Epicurus dat de angst voor de dood een van de dingen is die mensen het meest ongelukkig maakt. Als ware hedonist probeerde hij te bewijzen dat onze dood ons niets uitmaakt want: “als de dood er is, dan zijn wij er niet, en als wij er zijn, is de dood er niet.” Maar hoe we dit ook binnensmonds en fluisterend herhalen, uiteindelijk lijkt het veelgevraagd van een stervende te verlangen dat ze de dood geheel weggeredeneerd.

Martin Heidegger schreef dan ook dat we juist niet moeten vergeten dat de dood iets is wat bij het leven hoort. Sterker nog: de dood is juist datgene wat ons leven zin geeft. Zodra we geboren zijn, kunnen we sterven en leven doen we alleen om uiteindelijk te sterven: Sein zum Tode. Dit besef moet ons ertoe het leven zin en waarde te geven. Gedenk te sterven en YOLO tegelijkertijd. Echter leven de meeste mensen hier volgens hem niet naar. We gedragen ons alsof de dood er niet is en we het eeuwige leven weldegelijk in bezit hebben. De dood ontwijken we in gesprekken en maakt doorgaans geen deel uit van ons alledaags bestaan.

Ook Walter Benjamin beschreef hoe we in onze westerse maatschappij de dood steeds meer verstoppen. Vroeger hadden bijna alle muren van huiskamers wel een dode gezien: een opa of oma, maar soms ook een baby. Nu stoppen we die dood weg in ‘sterfhuizen’, overlijden mensen in strak opgemaakte ziekenhuisbedden aan de apparatuur die haar best doet het onvermijdelijke uit te stellen. We bedekken de dode met een witte doek, noemen haar slapende.

Eerste kennismaking met de dood

Voor veel mensen is die eerste keer dat we een overleden mens zien tegenwoordig dan ook een plechtig moment dat omringd door familie en/of kennissen plaatsvindt. De gestorvene ligt opgebaard, haar ogen netjes gesloten, haar handen op de borst gevouwen. Haar haren zijn een laatste keer gekamd en ze draagt kleding die zorgvuldig uitgekozen is door de nabestaanden. Voor veel mensen is dit alleen niet de eerste kennismaking die ze hebben met de dood.

Voor de opa of oma die overlijdt is er de overreden kat, de goudvis die op een ochtend bovenin zijn kom drijft, de hond die een spuitje krijgt. Dat is de eerste keer dat we beseffen dat iets waar we om geven er nooit meer zal zijn. Hoe ouders daar vervolgens op reageren, is voor kinderen cruciaal en kan hun omgaan met de dood voor de rest van hun leven beïnvloeden. Kinderen kunnen nog ‘magisch denken’: ze hebben het gevoel dat ze de wereld kunnen veranderen door wat zij doen. Ze voelen zich dan ook snel verantwoordelijk wanneer bijvoorbeeld de kat overreden wordt nadat zij hem een keer niet geaaid hebben. Als ouders niet vertellen wat er echt met het dier gebeurd is en ze hier pas later achter komen, of ze deze dood afdoen als iets ‘dat niet toe doet, het was maar een kat’, maakt dit op kinderen een blijvende indruk. Het kan ertoe leiden dat ze ook later een bepaalde ongemakkelijkheid voelen over de dood. Haar wegstoppen, niet willen zien als iets wat deel uitmaakt van het leven. Waar de dood van een huisdier een manier kan zijn om te leren omgaan met de dood in het algemeen, wordt het een manier om te leren hoe eng en ongemakkelijk deze is.

De hond als baby

Maar genoeg volwassenen reageren op de dood van een huisdier zoals ze zouden doen op de dood van een geliefde. Veel huisdieren worden door mensen opgenomen in een gezin alsof het een familielid is en soms compenseren huisdieren voor een gebrek aan menselijke relaties. Een bijproduct van ons vermogen om gedachten en gevoelens toe te schrijven aan andere mensen, is een neiging tot antropomorfisme: we schrijven bewustzijn ook toe aan aan dieren of dingen die op mensen lijken, zoals robots én sommige huisdieren.

Zeker honden en katten zijn bijzonder goede slachtoffers van dit antropomorfisme aangezien zij precies over die lichamelijke eigenschappen beschikken die ons doen denken aan mensenbaby’s, zoals grote ogen, een hoog voorhoofd en korte ledematen. Dit maakt ze bij uitstek geschikt als gezelschapsdier om relaties met mensen aan te vullen of zelfs te vervangen.

Uit empirisch onderzoek blijkt dat sommige mensen hun huisdieren zelfs verkiezen boven hun echtgenoot: omdat hun hond of kat niet het vermogen heeft om te praten, lijkt zijn liefde veel onvoorwaardelijker te zijn. Het dier kan oordelen noch klagen, maar wel zijn enthousiasme uiten wanneer het op je afspringt als je thuiskomt en het verlangt niet veel meer terug dan dagelijks eten en een wandelingetje op zijn tijd. Daar komt nog bij dat honden en katten zo afhankelijk van ons kunnen zijn als kinderen.

Deze vermenselijking van onze huisdieren is dan ook goed terug te zien in onze rouw hierom, die sterke overeenkomsten vertoont met de rouw om een overleden mens. Veel grafschriften die te vinden zijn op dierenbegraafplaatsen, hadden niet misstaan op de stenen van overleden kinderen.

De dood van de ander

Waar Heidegger en Epicurus het in eerste instantie hebben over onze eigen dood, trekt Levinas de angst hiervoor door naar de dood van de ander. Volgens hem leven we altijd bij de ander, maakt de ander deel uit van onze identiteit: we zijn constant bezig ons te verhouden naar die ander. We zijn bovendien in zekere zin verantwoordelijk voor de ander en wanneer de ander overlijdt, trekt hij deze verantwoordelijkheid mee in een diep onbekende. Die verantwoordelijkheid is echter nog duidelijker terug te zien in de band die we met huisdieren hebben: daar zijn wij geheel verantwoordelijk voor. Waar kinderen dit tot het extreme voelen, moeten ook de meeste volwassenen dit beseffen. Als een huisdier overlijdt, neemt het niet alleen zijn onvoorwaardelijke liefde en gezelschap mee naar iets wat we onmogelijk kunnen kennen, maar ook zijn afhankelijkheid

We kunnen wegredeneren wat willen: dat definitieve einde wat ons allemaal boven het hoofd hangt blijft een mysterieus iets waarover we nooit met definitieve zekerheid kunnen zeggen wat het inhoudt, omdat geen van onze levenden het ooit ervaren heeft. De dood van een geliefde plaatst ons dan ook in een situatie waarin datgene wat we het liefste willen, datgene is wat we onmogelijk kunnen krijgen: de terugkeer van de overledene.

Dat deed de dood in elk geval tot voor kort. Kloontechniek biedt ons nu plotseling een mogelijkheid juist datgene terug te brengen wat we dachten nooit meer te zien. Met enkele verse huidcellen van onze geliefde viervoeter opgestuurd naar een Zuid-Koreaans lab, keert Fikkie terug naar zijn mand. We hoeven zijn dood niet langer onder ogen te zien, noch te accepteren als een definitief onderdeel van ons- zijn leven. Het biedt ons een gegronde reden door te gaan met leven alsof de er niet is. Een mogelijkheid dat YOLO uiteindelijk toch een loze uitspraak blijkt zijn. Er was geen definitievere manier waarop dit Rotterdamse echtpaar Joeps dood had kunnen verbergen.

Verder lezen

Archer, John Why Do People Love their Pets Preston: University of Central Lancashire, 1997.

Stephens, Debra Lynn The Loss of Animal Companions: A Humanistic and Consumption Perspective Cambridge: The White Horse Press, 1996.

Vergeten filosoof: Emil Cioran De profeet van de dood

Veel filosofen zijn rasoptimisten. Ze geloven in waarheid, progressie, en in de goedheid van de menselijke natuur. Maar is dit soort optimisme wel gerechtvaardigd? In dit stuk schrijft Wouter over een denker die zijn hele oeuvre wijdde aan het vernietigen van alle menselijke illusies – inclusief optimisme –  om zo de mensheid te waarschuwen van de gevaren die daarmee intrinsiek verbonden zijn.

Door Wouter van Staveren

There’s no tyrant like a brain.”  – Ferdinand, Journey to the End of the Night

Het is zomer in een klein boerendorp genaamd Rășinari. Gelegen in het mysterieuze Transsylvanië, geeft Rășinari een stille, harmonieuze indruk. We zien arbeiders, gekleed in Roemeense traditionele klederdracht, met hun gebruikelijke nauwkeurigheid hun werk verrichten in de weidevelden, die samen met de bergen het gehele dorp omringen. Het centrum van het dorp is verlaten, met uitzondering van een kleine groep dronkenlappen. Zij zingen, dansen en spelen viool; het moderne Boekarest lijkt wel een geheel andere wereld…

Vlakbij de plaatselijke kerk bevindt zich een heuvel met een begraafplaats. De grafdelver slentert met grote passen de heuvel op. Achter hem holt een klein jongetje: hij hoopt dat de grafdelver hem zal belonen met een doodshoofd – om voetbal mee te spelen! Zijn naam is Emil Mihai Cioran (1911-1995). Hoe had dit onschuldige kind kunnen voorzien dat het symbool van het doodshoofd, de Dood, hem voor de rest van zijn leven zou achtervolgen, en hem tot misschien wel de meest pessimistische filosoof ooit zou maken?

Tot op de dag van vandaag staat Cioran nog steeds in de schaduw van de andere grote nihilistische filosofen van zijn tijd, Sartre en Camus. En onterecht. Ik zal hier een poging wagen om licht te werpen op deze obscure, doch originele, denker.  Lees verder Vergeten filosoof: Emil Cioran De profeet van de dood

DAG wil democratisering, decentralisering en transparantie Interview met Gerrit Nagel en Jesse Havinga

Op 15 maart was het symposium ‘Toekomst van de Filosofie’. Verschillende genodigden spraken over problemen als de moeilijkheid met onderzoeksfinanciering, onderwijsverschraling en een gebrek aan democratische besluitvorming aan universiteiten. Het probleem werd herkend door veel aanwezige studenten, zowel filosofen als niet-filosofen. Een aantal werd zo geïnspireerd dat zij een nieuwe beweging oprichtten: de Democratische Academie Groningen (DAG).

In de universiteitsraad worden studenten, medewerkers en docenten vertegenwoordigd met als doel mee te kunnen praten over het beleid van de universiteit. Dit jaar doet er aan de Rijksuniversiteit Groningen echter voor het eerst een partij mee die expliciet om een open en kritisch debat over de fundamentele waarden van de universiteit vraagt: waartoe is de universiteit op aarde? Volgens de Democratische Academie Groningen is de universiteit een concurrerend bedrijf geworden, waarbij kwantitatieve criteria afbreuk doen aan de kwaliteit van onderzoek en onderwijs. Dé oplossing: meer democratie en transparantie. ‘Pas met échte democratie hebben we de mogelijkheidsvoorwaarden om de nieuwe universiteit concreet vorm te geven.’

Reden genoeg voor de Qualia om twee betrokkenen bij DAG eens te vragen waar het allemaal om te doen is: Gerrit Nagel (nr. 11 op de lijst) is masterstudent Rechtsgeleerdheid en Jesse Havinga (nr. 36 op de lijst) is masterstudent Wijsbegeerte. Lees verder DAG wil democratisering, decentralisering en transparantie Interview met Gerrit Nagel en Jesse Havinga

Het gevaar van een goed geweten Een deugdethisch perspectief op de morele verwondingen van oorlogsveteranen

In de nasleep van de langste oorlogen in de Amerikaanse geschiedenis is er groeiende aandacht gekomen voor de morele wonden van teruggekeerde veteranen. De morele last van schuld- en schaamtegevoelens is niet met pillen op te lossen, maar vraagt vooral om filosofische aandacht. Hoe is het mogelijk voor veteranen om deze loden last te torsen? De deugdethiek kan verder inzicht bieden in deze wonden evenals in het lange herstellingsproces.

Door Daniël Muller

“Morele wonden hebben de bijzondere eigenschap dat ze wel sluiten, maar nooit genezen; ze doen altijd pijn, en gaan altijd weer bloeden bij de  minste aanraking – zielswonden zijn voor immer gevoelige en gapende wonden.”
– Alexandre Dumas, De graaf van Monte Cristo

Ik herinner me nog goed de openingsscène van Francis Ford Coppola’s Apocalypse Now. Een wazig omgekeerd gezicht smelt samen met beelden van razende helicopters in een door napalm vuurballen brandende jungle. Gevangen in een groezelige hotelkamer vol gruwelijke herinneringen slaat Captain Willard zijn vuist kapot op zijn eigen spiegelbeeld, woedend op de persoon die hij is geworden met bloed bevlekte handen. Coppola’s film brengt de waanzin van het oorlogsgeweld dat innerlijk voortwoekert voelbaar nabij. Willard’s tocht op de rivier is in wezen een afdaling in zijn eigen ziel. De stille oorlog van binnen is een moreel slagveld.  Lees verder Het gevaar van een goed geweten Een deugdethisch perspectief op de morele verwondingen van oorlogsveteranen

De tijd hervonden De herinneringsrevolutie en de opkomst van de complete biografie

Als het gaat om de gevolgen van de digitalisering, is privacy terecht vaak één van de hoofdthema’s van deze tijd. Een aspect dat veel minder aandacht krijgt betreft de transformatie van de manier waarop we herinneren. De nieuwe omgang met het verleden die technologie ons biedt dan wel opdringt, verdient een verkenning. 

Door Willem Pouwels

We leven in een tijd waarin het verleden, vooral ons eigen persoonlijke verleden, soms ondergewaardeerd lijkt. De moderne mens, altijd mindful in het nu levend, is in zijn schaarse momenten van verstrooidheid hoogstens gericht op de toekomst, die vol onverwezenlijkte plannen is, maar vooral niet op het verleden. Noem dit een karikatuur, het lijdt geen twijfel dat de grote plaats die herinnering inneemt in het leven in deze tijd al gauw wordt onderschat. Hoe vaak horen we niet dat we niet in het verleden moeten blijven hangen, niet te veel terug moeten kijken. Het heden is hip. Maar wie het verleden niet wil kennen, verraadt zichzelf. Het verleden is immers niet los te zien van onze eigen identiteit, omdat onze herinneringen de bouwstenen zijn van het verhaal dat we over ons eigen leven vertellen.

In sterk contrast met de hedendaagse mentaliteit voltrekt zich, voortgestuwd door de technologische ontwikkelingen, een heuse revolutie op het gebied van herinneren. Meer dan ooit in de geschiedenis legt de mens vast wat hij doet. Ik stel voor de selfie-stok, op zich maar een randverschijnsel van deze immense registratiegolf, te nemen als het symbool hiervan bij uitstek. De laatste jaren heeft deze herinneringsrevolutie een extra boost gekregen door de opkomst van smartphones en sociale media. Vooral deze laatsten krijgen veel aandacht, zowel positief als negatief. Maar Facebook en Instagram vormen slechts de etalage waarachter zich nog een hele winkel aan digitale herinneringen bevindt. Denk aan ons gedrag op het internet, waar je geen stap zet zonder een afdruk achter te laten. Allerhande apps houden bij hoeveel we bewegen en welke restaurants we bezoeken, om maar wat te noemen. Verzin het, en er is een app voor. Hetzelfde geldt voor de ontelbare hoeveelheid accounts die we bijna dagelijks aanmaken om van allerlei diensten gebruik te kunnen maken. Ze leggen vast welke spullen we kopen, naar welke muziek we luisteren en welke series we volgen. Maar inderdaad, ook ons sociale leven wordt gedetailleerd in kaart gebracht, in de vorm van connecties en de informatie die we ermee uitwisselen. Doormiddel van ons prille huwelijk met de digitale technologie produceren wij allemaal – uitzonderingen daargelaten – een niet aflatende stroom herinneringen.  Lees verder De tijd hervonden De herinneringsrevolutie en de opkomst van de complete biografie

Boekverslag ‘Er middenin!’ van Hans Radder Filosofie tussen universiteit en samenleving

Sinds de afgelopen jaren is de discussie rondom de economisering van de universiteit en de druk op de geesteswetenschappen niet meer te stoppen. De vele artikelen, debatten en protesten hebben duidelijk laten zien dat er wijdverspreide onvrede heerst in de academische wereld. Emeritus hoogleraar wetenschapsfilosofie Hans Radder (VU) publiceerde onlangs een boeiend boek over de universiteitsproblematiek en de gevolgen voor de geesteswetenschappen. Hij besteedt speciaal aandacht aan zijn eigen vakgebied, de filosofie, door te stellen dat we de maatschappelijke waarde van filosofie moeten herzien. Remco bespreekt enkele kernpunten van de bundel.

Door Remco van der Meer

“De universiteit is een bedrijf geworden, de rector magnificus een topmanager (met bijbehorend salaris), de wetenschapper een kennisproducent en de student een rondshoppende consument.”
Zo luidt de kritiek van Hans Radder over de Nederlandse universiteit. Zijn essaybundel, Er middenin! gaat uitgebreid in op de financiële en bureaucratische problemen waar de wetenschappen mee te kampen hebben. Een belangrijk punt is dat er door de huidige financieringsstructuren te weinig ruimte is om af te wijken van een natuurwetenschappelijk keurslijf in geestes- en sociaalwetenschappelijk onderzoek. De ondertitel luidt echter ‘Hoe filosofie maatschappelijk relevant kan zijn’, en ook over dat onderwerp heeft Radder veel interessante dingen te zeggen. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld of geesteswetenschappelijk onderzoek haar neerslag altijd moet vinden in academische artikelen. Lees verder Boekverslag ‘Er middenin!’ van Hans Radder Filosofie tussen universiteit en samenleving

The Fresh Heir of Bel Air Waarom het gebazel van Jaden Smith een filosofische grond heeft

Door de eeuwen heen hebben vele filosofen geprobeerd een bijdrage te leveren aan de wijsgerige werken van onze geschiedenis. Slechts enkelen van hen hebben het gemaakt tot de top der filosofen, wiens werk nog altijd veel gelezen wordt. Misschien zijn sommige filosofen echter wel ondergewaardeerd. Zoals Jaden Smith, aldus Richard Nobbe. In een ontroerende brief steekt hij deze filosoof in de dop een hart onder de riem. 

Door Richard L. Nobbe

Lieve Jaden, een paar maanden geleden heb ik mij op een serie gestort waarin in jij ook een rol speelde, en het haalde bij mij allemaal herinneringen op over allemaal mensen die heel erg hard moesten lachen om de zogenaamd zweverige zooi die jij op je Twitter gooit. Ik denk alleen niet dat dit zo zweverig is als beweerd wordt, ik denk dat er een filosoof in je schuilt. Lees verder The Fresh Heir of Bel Air Waarom het gebazel van Jaden Smith een filosofische grond heeft

Je moeder en cheeseburgers Column

Op een filosofiefaculteit doet het bezit van een smartphone eerder af aan je geloofwaardigheid als geleerde dan dat dit hieraan bijdraagt. De tijd doden tijdens saaie colleges – ze bestaan – doe je met oog op je academische loopbaan liever met een vergeten naziwerk van Heidegger dan met ‘grammetjes’ en ‘filoselfies’. De status van de smartphone is nu eenmaal een wat oppervlakkige. Toch is er een keerzijde. Hoewel het schrijven van een invloedrijk filosofisch werk vrijwel onmogelijk is op zo’n schermpje – behalve misschien op de Samsung Galaxy W – kun je met sommige toepassingen je omgeving wel degelijk een belezen dienst bewijzen. Taal is ons intellectuele vervoersmiddel en de smartphone kan een fenomenale rol spelen in therapie voor het afleren van de meest irritante taalgewoonte. Niet stotteren, niet slissen, zelfs geen Groningse tongval, maar onze duivelse stopwoorden kun je met het net zoveel gehate als geliefde apparaatje de kop indrukken. Lees verder Je moeder en cheeseburgers Column

Saamhorigheid en verbrokkeling Een verhandeling over het eeuwige streven naar de gemeenschap

De tijdsgeest waarin wij leven is een die in zeer grote mate de traditie heeft verworpen. Omwille haar eigen volledige autonomie te bevestigen, hebben vorige generaties zich willen bevrijden van een leidraad, datgene wat houvast geeft om zich te kunnen weren tegen de overweldigende realiteit van het bestaan. De verbrokkeling van een overkoepelend geheel betekende het begin van een nieuw tijdperk: de moderne samenleving.

Door Wouter van Staveren

“But what is liberty without wisdom, and without virtue? It is the greatest of all possible evils; for it is folly, vice, and madness, without tuition or restraint.”

Edmund Burke

Een van de vele resultaten van de geboorte van het modernisme is de dood van de hechte, persoonlijke gemeenschap en de geboorte van de geïsoleerde, onpersoonlijke samenleving. Dit onderscheid werd voor het eerst geïntroduceerd door de Duitse socioloog Ferdinand Tönnies in de negentiende eeuw, en zou later veel terug komen in het werk van de Duitse socioloog, Max Weber.1 Vaak ziet de moderne mens de gemeenschap als iets van vroeger, als een sociale structuur die net te veel waarde hechtte aan titels en zeden en bovendien minderheden, zoals vrouwen en buitenstaanders, onderdrukten. Alhoewel deze ideeën met de kennis van vandaag volledig terecht zijn, zijn wij nog niet gerechtigd om de gemeenschap te verwerpen, op basis van een aantal effecten van de gemeenschap die zich door de geschiedenis heen hebben voorgedaan. Integendeel, ik meen dat juist de huidige sociale structuur, oftewel de samenleving, volstrekt onwenselijk is, en dat we moeten streven naar de gemeenschap. Lees verder Saamhorigheid en verbrokkeling Een verhandeling over het eeuwige streven naar de gemeenschap

“En toch is het zonde” Column

Het was een enigszins treurig gezicht, de man die bij de barbecue stond. Terwijl hij met één hand de goedkope speklappen van de Aldi omdraaide, sloeg hij met zijn andere hand een half blikje bier achterover. Op één van de vingers die het blikje Schultenbräu omklemde was duidelijk de witte plek te zien waar ooit een trouwring had gezeten. Zijn vervaalde shirt, bespat met vetvlekken, slaagde er net niet in zijn omvangrijke bierbuik geheel te omvatten waardoor een stukje behaarde huid zichtbaar was boven de riem van zijn korte broek. Zijn waterige oogjes keken me aan. En toen, nadat hij een indrukwekkende boer gelaten had, sprak hij de legendarische woorden: “En toch is het zonde.” Lees verder “En toch is het zonde” Column